Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
17/1380 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijstandsaanvraag. Niet woonachtig op het uitkeringsadres. Onvoldoende duidelijkheid. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1380 PW

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 januari 2017, 16/2456 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Namens appellant is verschenen mr. Akkaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. Slegers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 4 maart 2016 gemeld om bijstand op grond van de

Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 1 april 2016 heeft appellant de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij woonachtig is op het adres [straat en huisnummer] te [plaatsnaam] (opgegeven adres) en dat hij daar gezamenlijk woont met zijn meerderjarige zoon.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de Dienst Samenleving en Economie, afdeling Werk en Inkomen, van de gemeente Helmond een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van appellant. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn gegevens met betrekking tot het verbruik van gas, water en elektriciteit en het ledigen van de vuilcontainer op het opgegeven adres opgevraagd, is op 12 april 2016 een huisbezoek aan de woning van appellant gebracht, hebben op 9 mei 2016 een sociaal rechercheur en een handhavingsmedewerker met appellant gesproken en zijn in de periode van 14 april 2016 tot en met 21 april 2016 waarnemingen bij het opgegeven adres verricht. Geconstateerd is dat het waterverbruik op het opgegeven adres extreem laag was voor een woning welke door twee personen wordt bewoond. Verder was de vuilcontainer in 2016 maar twee keer geleegd. De huur van de woning, waar appellant sinds 9 september 2015 stond ingeschreven in de basisregistratie personen, was vanaf september 2015 maar drie keer betaald vanaf de bankrekening van appellant. Bij de waarnemingen werd de auto van appellant niet eenmaal aangetroffen bij het opgegeven adres. Geconfronteerd met deze bevindingen verklaarde appellant onder meer het merendeel van de tijd in Eindhoven door te brengen met vrienden, terwijl hij eerder had verklaard dat hij veel in het café verblijft en als hij teveel gedronken heeft zijn auto liet staan. Over waar en bij wie hij in Eindhoven verbleef en over de vriend aan wie hij naar eigen zeggen zijn auto had uitgeleend wilde appellant niet verklaren. Over het ledigen van de vuilcontainer verklaarde appellant dat het niet kan kloppen dat deze zelden wordt geleegd omdat hij de vuilcontainer elke week aan de weg zet. Over het betalen van de huur verklaarde appellant dat het evenmin kon kloppen dat de huur van verschillende bankrekeningen wordt betaald. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 10 mei 2016.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 10 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 augustus 2016 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn woonsituatie waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 maart 2016, de datum van de melding, tot en met 10 mei 2016, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie en dat daardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat uit het huisbezoek weliswaar blijkt dat de woning op het opgegeven adres wordt bewoond, maar dat het onduidelijk is of appellant er (ook) zijn hoofdverblijf heeft, en dat de verklaringen die appellant heeft gegeven over het lage waterverbruik, de afvalstortingen en het meewerken aan het huisbezoek - voor zover onderbouwd - onvoldoende gewicht in de schaal leggen tegenover de onderzoeksbevindingen.

4.5.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de in de rapportage vermelde staat van inrichting bij het huisbezoek op 12 april 2016 en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant de toen gedane waarnemingen niet heeft betwist, slaagt niet. Appellant stelt die waarnemingen, de inhoud van de rapportage en de daaraan verbonden conclusie wel te hebben betwist en daartoe in bezwaar en beroep foto’s van zijn woning te hebben overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat niet één persoon, maar twee personen op het opgegeven adres woonachtig zijn. De foto’s die appellant in bezwaar en beroep heeft overgelegd, zijn echter gemaakt na het huisbezoek. Op 9 mei 2016 heeft appellant bovendien zelf verklaard dat de inrichting van zijn woning is gewijzigd doordat er inmiddels een bed en een kledingkast bij zijn gekomen.

4.6.

De beroepsgrond dat appellant een plausibele verklaring heeft gegeven voor zijn waterverbruik en het niet aantreffen van zijn auto, slaagt evenmin. Daarbij is van belang dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het waterverbruik op het opgegeven adres zo laag is dat permanente bewoning door twee personen niet bijzonder aannemelijk is. Voorts heeft appellant geen eenduidige verklaringen gegeven over de afwezigheid van zijn auto.

4.7.

Ook de beroepsgrond dat appellant tijdens het gesprek op 9 mei 2016 niet tegenstrijdig heeft verklaard, maar verkeerd is begrepen, kan niet slagen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) kan in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan, en komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Bij het gesprek op 9 mei 2016 was ook de zoon van appellant aanwezig. Uit het opgestelde gespreksverslag kan niet worden afgeleid dat appellant of zijn zoon de vragen niet goed hebben begrepen. Doordat appellant en zijn zoon het gesprek voortijdig hebben verlaten, heeft appellant zich zelf de mogelijkheid ontnomen om wijzigingen in het opgestelde gespreksverslag aan te brengen.

4.8.

Ten slotte valt niet in te zien dat, zoals appellant heeft aangevoerd, de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel heeft betrokken dat de verklaring van appellant dat hij meestal verblijft bij vrienden in Eindhoven niet strookt met zijn stelling dat hij altijd op het opgegeven adres slaapt en veel tijd in het café doorbrengt. De enkele niet onderbouwde stelling van appellant dat hij voortdurend heeft meegedeeld dat hij daar naartoe gaat, maar dat dat niet betekent dat hij daar ook slaapt, is daarvoor niet voldoende.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J. Tuit

IJ