Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
17/3065 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag. Het college heeft de gedragingen terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend, zodat het college bevoegd was hem daarvoor disciplinair te straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3065 AW, 17/6030 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

3 maart 2017, 15/3782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Universiteit Maastricht (college)

Datum uitspraak: 26 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Damen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.L.M. van de Laar, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Damen een zienswijze op het incidenteel hoger beroep en een reactie op het verweerschrift gegeven.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Damen en mr. C.S.M. van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van de Laar en prof. dr. N.K. de Vries.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1992 werkzaam bij de Universiteit Maastricht (UM) , laatstelijk bij de [afdeling] , vakgroep [vakgroep] , onderdeel van de [onderdeel 1] . Hij was ook (tijdelijk) werkzaam bij de [onderdeel 2] . Vanaf 2011 was appellant als projectleider betrokken bij het [project] ( [project] ), een project dat voor een belangrijk deel gefinancierd wordt met Europese gelden.

1.2.

Appellant heeft via [BV 1] een (indirect) belang van 75% in het bedrijf [BV 2] ( [BV 2] ). Dit bedrijf is door omstandigheden de enige co-financier van het [project] project geworden.

1.3.

Eind 2013 is door de administrateur van [afdeling] aan de UM gerapporteerd dat binnen het [project] projectkosten zijn opgevoerd ten laste van de UM , waarvan niet zeker is of deze bij dit project thuishoren. Daarop heeft eerst een onderzoek plaatsgevonden door Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. (Deloitte), dat is stopgezet voordat het was afgerond. Daarna heeft een intern onderzoek plaatsgevonden, waarvan de resultaten zijn weergegeven in de ‘Notitie problematiek rondom [project] (Notitie) van 21 november 2014. In de Notitie wordt - samengevat - het volgende geconcludeerd:

1. Er bestaat een hoge mate van belangenverstrengeling tussen het feit dat appellant aandeelhouder is van [BV 2] en zijn rol van [functie] van het [project] .

2. De door appellant uitgevoerde werkzaamheden binnen het bedrijf [BV 2] passen niet binnen de gemaakte afspraken in het kader van de regeling nevenwerkzaamheden UM .

3. Appellant heeft geen waarborgen ingebouwd om deze belangenverstrengeling teniet te doen. Integendeel, hij heeft de afdeling inkoop niet geïnformeerd over het feit dat hij via het bedrijf [BV 1] 75% van de aandelen houdt in [BV 2] , terwijl dit onderdeel was van de aanbestedingsprocedure.

4. Appellant heeft goederenleveringen voor ontvangst getekend, afkomstig vanuit [BV 2] . Ook heeft hij kosten, die ten laste zouden moeten komen van [BV 2] en gefactureerd werden aan de UM , voor akkoord getekend.

5. Het product X-spheres en het kwaliteitsmanagementsysteem voor de productie van dit product zijn niet binnen het kader van het Interreg project goedgekeurd door de managementautoriteit van [project] , zodat de kosten die hiermee gemoeid zijn niet passen in het [project] .

6. Niet kan worden vastgesteld dat de door [BV 2] bij de UM in rekening gebrachte grondstoffen ook daadwerkelijk aan de UM zijn geleverd.

7. [BV 2] heeft met voorkennis ingeschreven op een openbare aanbesteding en zich

niet gehouden aan het gestelde in de integriteitsparagraaf van het aanbestedingsdocument

van de UM .

8. Door [BV 3] zijn op initiatief van appellant de huurkosten van [BV 2] voor

elf maanden in rekening gebracht bij de UM , zonder dat daaraan toestemming en/of een huurcontract met de UM ten grondslag ligt.

9. Appellant heeft het interne onderzoek van de afdeling internal audit van de UM gehinderd door vervalste notulen aan te leveren.

1.4.

Bij besluit van 8 oktober 2014 is appellant per 3 oktober 2014 op non-actief gesteld en

is hem de toegang ontzegd tot alle gebouwen, terreinen en faciliteiten van de UM . De

non-actiefstelling is daarna driemaal verlengd, totdat besluitvorming heeft plaatsgevonden.

1.5.

In december 2014 is aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Appellant is op

9 januari 2015, nadat het openbaar ministerie huiszoekingen had gedaan en beslag had laten leggen op goederen, op de hoogte gebracht van de Notitie. Bij brief van 9 februari 2015

heeft appellant schriftelijk gereageerd op de Notitie.

1.6.

Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 12 mei 2015 met toepassing van artikel 6.12, eerste en tweede lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) in verbinding met artikel 8.4, vijfde lid, onder a, van de CAO NU en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling voor Disciplinaire Maatregelen wegens plichtsverzuim van de Universiteit Maastricht (Regeling), appellant wegens plichtsverzuim onvoorwaardelijk disciplinair ontslag opgelegd per 1 juni 2015.

1.7.

Bij besluit van 16 november 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, overeenkomstig het advies van de Awb-adviescommissie (commissie), ongegrond verklaard. De commissie heeft geconcludeerd dat niet alle negen verwijten even hard zijn en heeft er vijf genoemd die volgens haar wel vaststaan. Deze vijf verwijten zijn in het bestreden besluit overgenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen.

Blijkens het advies van de commissie zijn de negen verwijten niet alle even hard. Vijf zijn er vast komen te staan, namelijk:

a. appellant heeft niet op eigen initiatief melding gemaakt van belangenverstrengeling;

b. appellant heeft persoonlijk getekend voor de ontvangst van goederen die door [BV 2] werden geleverd;

c. appellant heeft kosten in rekening gebracht bij de UM voor het huren door promovendi van ruimte van [BV 2] ;

d. [BV 2] deed mee aan de aanbesteding van het [project] zonder dat melding is gemaakt van de dubbelrol van appellant;

e. op het moment dat appellant (van de decaan) een ´submandaat´ kreeg, waardoor zijn verantwoordelijkheid extra zwaar werd, heeft appellant zijn belangenverstrengeling in het project niet bespreekbaar gemaakt of gemeld.

Het college heeft het advies van de commissie met betrekking tot het plichtsverzuim overgenomen. Hierbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de commissie vijf “voorbeelden” heeft genoemd waaruit het plichtsverzuim naar voren komt en dat de opsomming niet volledig is. De rechtbank is van oordeel dat uit het advies van de commissie volgt dat de overige gedragingen niet dan wel onvoldoende vast zijn komen te staan. Nu in het advies noch in het bestreden besluit de overige gedragingen verder worden besproken, is de rechtbank van oordeel dat het plichtsverzuim uitsluitend betrekking kan hebben op voornoemde vijf gedragingen.

De gedragingen vermeld onder a tot en met d moeten worden gekwalificeerd als plichtsverzuim. De gedraging onder e vormde geen onderdeel van de negen gedragingen waarop het primaire besluit is gebaseerd en wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

Ten aanzien van de evenredigheid overweegt de rechtbank dat appellant functioneerde op een hoog niveau in een zelfstandige positie binnen de UM . Gebrek aan controle doet niet af aan de ernst van het geconstateerde plichtsverzuim. Van een hoogleraar tevens projectleider mag worden verwacht dat hij de noodzaak inziet om bepaalde zaken transparant te maken en te houden. Het vertrouwen in zijn functioneren is ernstig geschaad. Het disciplinair ontslag is niet onevenredig.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 6.12, eerste en tweede lid, van de CAO NU kan de werkgever aan de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt een disciplinaire maatregel opleggen die in verhouding staat tot het plichtsverzuim. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, wat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4.1.2.

Ingevolge artikel 8.4, vijfde lid, onder a, van de CAO NU kan een werknemer bij wijze van disciplinaire maatregel ontslagen worden zonder dat een opzegtermijn geldt en zonder dat opzegverboden van toepassing zijn.

4.1.3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling kan als disciplinaire maatregel ontslag worden opgelegd.

4.1.4.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Regeling wordt een disciplinaire maatregel, met uitzondering van een berisping, niet opgelegd dan nadat zij onherroepelijk is geworden.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat, nu bij besluit van 12 mei 2015 niet bepaald is dat de disciplinaire maatregel onmiddellijk wordt uitgevoerd, het disciplinair ontslag gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Regeling niet kon worden opgelegd, omdat het instellen van bezwaar (en later beroep) schorsende werking heeft verkregen en het ontslag (nog) niet onherroepelijk was geworden. De Raad volgt hem hierin niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3007) vereist de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag geen daad of bevel van tenuitvoerlegging buiten en na het besluit waarbij die maatregel met ingang van een bepaalde datum is opgelegd. Aangezien het besluit van 12 mei 2015 een datum bevat (1 juni 2015) heeft het instellen van bezwaar en beroep geen schorsende werking.

4.3.

De Raad zal nu zijn oordeel geven over de appellant verweten gedragingen als vermeld onder a tot en met d in rechtsoverweging 2 van deze uitspraak. Appellant erkent dat hij deze gedragingen heeft begaan. Hij betwist het oordeel van de rechtbank dat deze gedragingen gekwalificeerd moeten worden als plichtsverzuim.

a. appellant heeft niet op eigen initiatief melding gemaakt van belangenverstrengeling

4.4.

Appellant erkent dat hij na 18 april 2013 opnieuw toestemming had moeten vragen voor zijn nevenwerkzaamheden en meer duidelijkheid hierover had moeten verschaffen, maar hij stelt nooit heimelijk te hebben gedaan over zijn nevenwerkzaamheden. Deze stonden vermeld op de website van de UM en [afdeling] .

4.5.

Op grond van de regeling nevenwerkzaamheden UM dienen medewerkers bij hun beherend baas voorgenomen nevenwerkzaamheden schriftelijk te melden met het verzoek om toestemming, en kunnen deze werkzaamheden worden verricht nadat daarvoor toestemming van de beherend baas is verkregen. Appellant heeft nagelaten zijn nevenwerkzaamheden bij [BV 2] schriftelijk te melden bij zijn beherend baas en hiervoor toestemming te vragen. Dat appellant zijn nevenwerkzaamheden had vermeld op de website van de UM en [afdeling] en dat hij in het verleden (tot 18 april 2013) toestemming had verkregen om nevenwerkzaamheden te verrichten, doet hier niet aan af. Namens het college is ter zitting terecht naar voren gebracht dat het vermelden van nevenwerkzaamheden op de website van de UM en [afdeling] vooral een externe functie heeft en dat bovendien hieruit niet kan worden afgeleid dat ook toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden is verkregen. De eerder aan appellant

verleende toestemming was geldig tot 18 april 2013 en had geen betrekking op (nevenwerkzaamheden bij) [BV 2] . Door deze verweten gedraging heeft appellant ten minste de schijn van belangenverstrengeling gewekt.

b. appellant heeft persoonlijk getekend voor de ontvangst van goederen die door [BV 2] werden geleverd

4.6.

Met het college is de Raad van oordeel dat appellant niet integer heeft gehandeld door te tekenen voor de ontvangst van goederen die door [BV 2] werden geleverd. Hij had gelet op zijn zakelijke banden met [BV 2] (de schijn van) belangenverstrengeling moeten voorkomen.

c. appellant heeft kosten in rekening gebracht bij de UM voor het huren door promovendi van ruimte van [BV 2]

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat hij huurkosten aan de UM in rekening heeft gebracht omdat de liquiditeitspositie van [BV 2] in deze periode niet goed was en hij zijn invloed in [BV 2] heeft gebruikt om het [project] overeind te houden. Hij maakte zich zorgen om de continuïteit van het [project] . Bovendien had het personeel van de UM volgens hem al bijna twee jaar gratis ingewoond bij [BV 2] . Met het college is de Raad van oordeel dat deze gedraging gelet op het ontbreken van toestemming, onaanvaardbaar moet worden geacht. Appellant is onvoldoende transparant geweest en heeft hiermee het college de mogelijkheid ontnomen om (onderbouwd) te kunnen toetsen of sprake zou zijn van belangenverstrengeling.

d. [BV 2] deed mee aan de aanbesteding van het [project] zonder dat melding is gemaakt van de dubbelrol van appellant

4.8.

Vaststaat dat [BV 2] aan de aanbesteding van het [project] heeft meegedaan en dat in die procedure niet vermeld is dat appellant een dubbelrol had. Daarbij heeft het college naar voren gebracht dat appellant de inhoudelijke kant van het aanbestedingsdocument voor zijn rekening heeft genomen en dat enkel [BV 2] zich heeft ingeschreven voor deze aanbesteding. Met het college is de Raad van oordeel dat appellant melding had moeten maken van het feit dat hij (indirect) aandeelhouder was van [BV 2] . In de integriteitsparagraaf van het ‘aanbestedingsdocument’ van de UM staat immers dat de inschrijver bij zijn inschrijving dient te melden of personen werkzaam bij de UM bij wijze van nevenfunctie werkzaam zijn bij de inschrijver. Indien dit zou kunnen leiden tot ongewenste (commerciële) belangenverstrengeling kan dit leiden tot uitsluiting van de inschrijver van de aanbestedingsprocedure.

4.9.

Het college heeft de onder 4.4 tot en met 4.8 besproken gedragingen terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend, zodat het college bevoegd was hem daarvoor disciplinair te straffen.

4.10.

De Raad oordeelt dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Appellant functioneerde op hoog niveau in een zelfstandige positie binnen de UM . Aan hem kan worden toegegeven dat van de UM mocht worden verwacht dat meer toezicht werd uitgeoefend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad hebben medewerkers echter een eigen verantwoordelijkheid jegens hun werkgever, en een gebrek aan controle doet op zichzelf niet af aan de ernst van een geconstateerd plichtsverzuim (uitspraak van 29 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1633). Van een hoogleraar tevens projectleider mag worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden verricht op een wijze die geen risico’s oplevert voor de organisatie en dat (de schijn van) belangenverstrengeling wordt voorkomen. Dat het ongevraagde ontslag ontegenzeggelijk verstrekkende gevolgen voor appellant heeft (gehad) en dat de druk op appellant om het [project] te laten slagen door hem als groot werd ervaren is voorstelbaar, maar legt te weinig gewicht in de schaal om het gegeven strafontslag niet evenredig aan het plichtsverzuim te achten.

4.11.

Uit 4.2 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Nu namens het college ter zitting is bevestigd dat het incidenteel hoger beroep als voorwaardelijk ingesteld dient te worden opgevat, kan gelet op het in 4.11 gegeven oordeel bespreking van het incidenteel hoger beroep achterwege blijven.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Benek en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Demiroǧlu

LO