Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
17/8224 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijke aanstelling van rechtswege. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan en dat de minister bevoegd was de tijdelijke aanstelling van appellante niet om te zetten in een vast dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8224 AW

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
15 november 2017, 17/993 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. de Wit hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.M. Vastenburg, mr. M.S. van Muiswinkel en W.A.M. van den Broek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in de periode van 4 september 2013 tot 1 januari 2014 op grond van een arbeidsovereenkomst met [uitzendbureau] ( [uitzendbureau] ) op detacheringsbasis werkzaam geweest bij het Openbaar Ministerie, [instantie] . Appellante was werkzaam als administratief medewerker.

1.2.

Bij besluit van 22 november 2013 is appellante aangesteld in tijdelijke dienst in de functie van administratief medewerker, schaal 5 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA), voor de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015.

1.3.

Appellante is per 18 december 2014 overgeplaatst naar het [instantie] ( [instantie] ) in de functie van junior administratief juridisch medewerker, functiegroep Verwerken en Behandelen, schaal 6 van het BBRA. Bij besluit van

30 december 2014 is appellante in deze functie aangesteld in tijdelijke dienst voor de

periode van 2 januari 2015 tot 1 januari 2016.

1.4.

Appellante is met ingang van 22 juni 2015 overgeplaatst naar de functie van junior secretaris Cluster Wob, functiegroep Commissiesecretaris, schaal 8 van het BBRA. Bij besluit van 28 augustus 2015 is appellante in laatstgenoemde functie aangesteld in tijdelijke dienst voor de periode van 2 januari 2016 tot 31 december 2016.

1.5.

Bij besluit van 10 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2017 (bestreden besluit), heeft de minister appellante meegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling met ingang van 1 januari 2017 van rechtswege eindigt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen. De minister heeft zich, onder verwijzing naar vaste rechtspraak (zie de uitspraken van 29 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU3900, en van 4 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX3160), terecht op het standpunt gesteld dat bij toepassing van artikel 6, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de eis geldt dat gedurende de hele ketenperiode dezelfde werkzaamheden worden verricht. Uit het gebruik van het meervoud ‘aanstellingen’ leidt de rechtbank af dat voor een niet onderbroken keten van aanstellingen vereist is dat gedurende alle aanstellingen dezelfde werkzaamheden zijn verricht. Anders dan bij toepassing van artikel 6, zesde lid, van het ARAR onderbreken verschillen in werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden ten aanzien van opeenvolgende aanstellingen de keten van aanstellingen. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de Nota van Toelichting bij het besluit van

13 november 1999 (Stb. 1999, 491) tot invoering van - onder meer - artikel 6, zesde en zevende lid, van het ARAR en naar de wetsgeschiedenis bij de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, waarbij artikel 7:668a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is ingevoerd, meer in het bijzonder naar de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van

29 oktober 1997, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1997-1998, 25 263, nr. 33, p.5). Volgens de rechtbank is daarom artikel 6, zevende lid, van het ARAR niet op de situatie van appellante van toepassing. Zij heeft weliswaar tijdens haar eerste aanstelling dezelfde werkzaamheden verricht als tijdens de arbeidsovereenkomst met [uitzendbureau] die daaraan vooraf ging, maar de tweede en derde tijdelijke aanstelling bij de minister betroffen andere werkzaamheden en functies. De stelling van appellante dat dit ertoe kan leiden dat een ambtenaar promotie weigert omdat daardoor de keten wordt onderbroken en conversie naar een vaste aanstelling wordt doorkruist, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. In wat appellante verder heeft aangevoerd heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van wat in artikel 6, zevende lid, van het ARAR is bepaald. De rechtbank is van oordeel dat niet van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan en dat de minister bevoegd was om ten tijde van belang de tijdelijke aanstelling van appellante niet om te zetten in een vaste aanstelling.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 6, zesde lid, aanhef en onder a, van het ARAR geldt de aanstelling in tijdelijke dienst als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden.

4.1.2.

Artikel 6, zevende lid, van het ARAR bepaalt, voor zover hier van belang, dat het zesde lid van overeenkomstige toepassing is, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:133) geldt daarbij wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd komt met het geschreven of ongeschreven recht.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan en dat de minister bevoegd was de tijdelijke aanstelling van appellante niet om te zetten in een vast dienstverband. Hij maakt de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad hieraan het volgende toe.

4.4.1.

Appellante heeft betoogd dat haar aanstelling bij het OM reeds per 1 september 2016 van rechtswege is geconverteerd in een vaste aanstelling, omdat in feite vanaf 1 september 2013 sprake is geweest van een - tijdelijke - aanstelling bij het OM. Onder verwijzing naar de destijds door haar met het OM gevoerde e-mailcorrespondentie heeft appellante aangevoerd dat zij eerst ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden de brief van [uitzendbureau] ontving dat zij een arbeidsovereenkomst op detacheringsbasis kreeg aangeboden, terwijl zij een tijdelijke aanstelling mocht verwachten. Dit betoog slaagt niet. Weliswaar is appellante pas in een laat stadium bekend geworden met het feit dat de minister had gekozen voor een arbeidsrelatie op detacheringsbasis in plaats van een aanstelling in tijdelijke dienst, maar ook toen was het voor appellante nog mogelijk om bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst met [uitzendbureau] niet aan te gaan of door te onderhandelen met het OM, indien zij overwegende bezwaren tegen de detachering had. Uit de gedingstukken is niet gebleken dat appellante dergelijke bezwaren had, dan wel op enig moment naar voren heeft gebracht. Evenmin heeft appellante rechtsmiddelen aangewend tegen de besluiten waarbij aan haar tijdelijke aanstellingen zijn verleend. In haar standpunt dat bij de detachering sprake is geweest van een schijnconstructie, volgt de Raad appellante niet. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het OM met het oogmerk om de bepalingen van artikel 6, zesde lid, van het ARAR te omzeilen, heeft gekozen voor een detachering. Van meet af aan is gesproken van een “tijdelijke baan” bij het OM. De minister heeft onbestreden toegelicht dat het voor het OM toentertijd niet ongebruikelijk was om nieuwe medewerkers voor tijdelijke werkzaamheden aan te nemen via uitzendbureaus.

4.4.2.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat artikel 6, zevende lid, van

het ARAR niet vereist dat de werkzaamheden over de hele ketenperiode dezelfde moeten zijn. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld, onder meer onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 september 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU3900) en naar de in

2 genoemde Nota van Toelichting, dat voor een niet onderbroken keten vereist is dat sprake is van dezelfde werkzaamheden voor de gehele ketenperiode. Nu tussen partijen niet in geschil is dat appellante niet gedurende de hele ketenperiode dezelfde werkzaamheden heeft verricht, mist artikel 6, zevende lid, van het ARAR hier toepassing. Dat een ambtenaar die een tijdelijke aanstelling heeft waaraan een detacheringsovereenkomst vooraf is gegaan een mogelijke promotie niet kan aanvaarden omdat daarmee niet langer wordt voldaan aan het vereiste van ‘dezelfde werkzaamheden’ in de keten en hij aldus zijn rechtspositie schaadt, zoals appellante heeft betoogd, kan hieraan niet afdoen.

4.4.3.

Met de rechtbank en anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap. De Raad verwijst naar zijn oordeel in 4.4.1 dat geen sprake is geweest van een schijnconstructie. Verder kent de Raad betekenis toe aan het feit dat het werk dat appellante verrichtte na haar overplaatsing naar het [instantie] in verband met een verhoogde instroom van zaken tijdelijk was, namelijk om een ontstane achterstand weg te werken, en aan het feit dat die instroom later aanzienlijk daalde, met als rechtstreeks gevolg dat er medewerkers zijn ontslagen.

4.5.

Uit 4.1.1 tot en met 4.4.3 volgt dat de minister niet gehouden was de tijdelijke aanstelling om te zetten in een vaste aanstelling. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.A. de Graaff

sg