Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
17/5352 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstrekking van een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden (HH1) van viereneenhalf uur per week, voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Weigering individuele vervoersvoorziening per 1 januari 2016. Zorgvuldig onderzoek door de MO‑zaak en de GGD. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij niet in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer en dat zij niet in staat is om een deel van het licht huishoudelijk werk zelf te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5352 WMO15

Datum uitspraak: 18 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2017, 16/8014 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam dochter] , dochter van appellante, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Dracenovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1939, woont alleen in een eengezinswoning. Zij is als gevolg van – onder meer – een dubbelzijdig thoracic outlet syndroom bekend met verschillende medische beperkingen. Appellante beschikte op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) over een voorziening hulp bij het huishouden (HH1) van zes uur per week, alsmede over een vervoersvoorziening in de vorm van een taxikostenvergoeding.

1.2.

Het college heeft in de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) per 1 januari 2015 en het met ingang van die datum vastgestelde nieuwe beleid aanleiding gezien om de aanspraken van appellante op ondersteuning opnieuw te beoordelen.

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college, na bezwaar, zijn besluiten van 22 september 2015 gehandhaafd. Bij die besluiten is aan appellante een maatwerkvoorziening verstrekt voor hulp bij het huishouden (HH1) van viereneenhalf uur per week, voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, en is aan haar een individuele vervoersvoorziening geweigerd per 1 januari 2016. In het bestreden besluit heeft het college verwezen naar het advies van 1 juni 2015 van de MO‑zaak en het advies van 14 april 2016 van de GGD Haaglanden. Deze adviezen zijn volgens het college zorgvuldig tot stand gekomen. De wasverzorging en de zware huishoudelijke werkzaamheden (één uur en drie uur per week) moeten volgens het college volledig van appellante worden overgenomen. De lichte huishoudelijke werkzaamheden moeten gedeeltelijk worden overgenomen (een half uur per week) omdat appellante die werkzaamheden gedeeltelijk (een half uur per week) zelf kan uitvoeren. Voor het doen van de boodschappen wordt appellante verwezen naar de boodschappenservice. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om appellante een individuele vervoersvoorziening te verstrekken, omdat zij medisch gezien in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De MO‑zaak en de GGD hebben onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht, zodat hun medische adviezen niet aan het bestreden besluit ten grondslag mochten worden gelegd. Appellante heeft meer uur per week hulp bij het huishouden nodig. In de praktijk ontvangt zij zelfs minder dan de geïndiceerde viereneenhalf uur per week hulp bij het huishouden. Verder dient appellante een individuele vervoersvoorziening verstrekt te krijgen, nu zij medisch gezien niet in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond dat onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden door de MO‑zaak en de GGD slaagt niet. Er hebben gesprekken met appellante plaatsgevonden, zij is lichamelijk onderzocht en er is medische informatie betrokken van de behandelaars van appellante, waaronder haar huisarts, orthopeed, cardioloog en neuroloog. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in de medische adviezen de klachten en beperkingen van appellante zijn miskend, dat de adviezen niet concludent zijn of dat deze anderszins onjuist zijn. Anders dan appellante veronderstelt, is in de advisering betrokken dat appellante lijdt aan het dubbelzijdig thoracic outlet syndroom en is onderkend dat appellante beide etages van haar eengezinswoning actief bewoont. Appellante heeft ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd dat zij niet in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer en dat zij niet in staat is om een deel van het licht huishoudelijk werk zelf te verrichten. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college de medische adviezen van de MO‑zaak en de GGD aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

4.2.

Aan het betoog van appellante dat zij, bij gebrek aan een computer met een internetverbinding, geen gebruik kan maken van boodschappenservices wordt voorbijgegaan. Appellante heeft immers eerder in de procedure verklaard dat zij met boodschappenservices slechte ervaringen heeft opgedaan. Dat appellante in de praktijk geen viereneenhalf uur per week hulp bij het huishouden zou ontvangen, ziet op de uitvoering van de verstrekte maatwerkvoorziening en valt buiten de omvang van dit geding.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) W.M. Swinkels

TM