Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
16/6883 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijvend geheel geweigerde WW-uitkering. De werkloosheid van appellante is verwijtbaar. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de werkloosheid haar niet in overwegende mate te verwijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6883 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 september 2016, 16/709 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


de Korpschef van politie Oost-Brabant (betrokkene)

Datum uitspraak: 25 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh. Het Uwv en betrokkene zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 16 april 2008 aangesteld bij de [werkgever] (werkgever), laatstelijk in de functie van [functie] voor onbepaalde tijd.

1.2.

Op 7 februari 2015 is appellante met haar privé-auto tegen een geparkeerde auto aangereden waarbij de auto van de tegenpartij lichte schade heeft opgelopen. Appellante heeft de plaats van het ongeval verlaten zonder haar identiteit kenbaar te maken. Appellante is daarvoor door de politie aangehouden en op 12 februari 2015 als verdachte gehoord.

1.3.

Appellante is op 5 maart 2015 tegen een paaltje van de plaatselijke gemeente aangereden waardoor schade is ontstaan aan het paaltje. Appellante is daarop aangehouden ter zake van het verlaten van de plaats van het ongeval zonder haar identiteit kenbaar te maken en het rijden onder invloed van alcohol, waarbij het onderzoeksresultaat van de ademanalyse 1390 ug/l bedroeg. Daarbij is het rijbewijs van appellante ingevorderd en is zij op 5 maart 2015 als verdachte gehoord.

1.4.

Appellante is op 9 maart 2015 door haar werkgever met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld wegens een vermoeden van ernstig plichtsverzuim. Na afronding van een intern onderzoek is aan appellante op 6 mei 2015 het voornemen uitgereikt om haar wegens ernstig plichtsverzuim strafontslag te verlenen.

1.5.

De politierechter heeft op 12 juni 2015 zowel het verlaten van de plaats van het ongeval als het rijden onder invloed van alcohol op 5 maart 2015 bewezen geacht. Beide feiten zijn gekwalificeerd als een misdrijf. Appellante is daarvoor veroordeeld tot zes maanden onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, twaalf maanden voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en 60 uur onvoorwaardelijke taakstraf.

1.6.

Nadat een verantwoordingsgesprek met appellante had plaatsgevonden, heeft de werkgever het voorgenomen besluit omgezet in een definitief besluit en is aan appellante op 15 juli 2015 met onmiddellijke ingang strafontslag opgelegd.

1.7.

Appellante heeft op 6 augustus 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 25 augustus 2015 heeft het Uwv de gevraagde

WW-uitkering per 15 juli 2015 blijvend geheel geweigerd.

1.8.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 augustus 2015. Bij besluit van 26 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard en zijn standpunt gehandhaafd dat de WW-uitkering aan appellante blijvend geheel geweigerd dient te worden in verband met verwijtbare werkloosheid. Het Uwv heeft appellante in haar standpunt dat van verwijtbaarheid geen sprake is, omdat aan haar gedrag alcoholverslaving en een angststoornis ten grondslag lagen, niet gevolgd. Het Uwv heeft daartoe verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2016.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat de aan appellante verweten gedragingen in arbeidsrechtelijke zin een dringende reden voor ontslag opleveren. Partijen verschillen slechts van mening of appellante van die gedragingen een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 april 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA4523) overwogen dat een alcoholverslaving op zich niet een verontschuldigende factor is bij de beoordeling van onder invloed van die verslaving gepleegd plichtsverzuim. Dit is slechts anders indien die verslaving moet worden toegeschreven aan een zodanig niet door die verslaving veroorzaakt psychisch defect, dat een betrokkene niet meer in staat moet worden geacht zijn wil ten aanzien van de alcoholinname in vrijheid te bepalen. De rechtbank is van oordeel dat uit de medische informatie niet blijkt dat aan de alcoholproblematiek van appellante een zodanig psychisch defect ten grondslag heeft gelegen. De rechtbank acht de verweten gedragingen derhalve aan appellante toerekenbaar.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de gedragingen op 5 maart 2015 die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd haar gelet op haar alcoholverslaving niet in overwegende mate kunnen worden verweten. De rechtbank heeft volgens appellante de uitspraken waarnaar is verwezen op een verkeerde manier toegepast en uitgelegd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:609, heeft appellante gesteld dat ter beoordeling voorligt de vraag of haar gedrag haar in overwegende mate kan worden verweten. Die vraag moet volgens appellante ontkennend worden beantwoord, omdat zij een zogenoemde binge-drinker is en dat naast alcoholafhankelijkheid ook een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, ontwijkende en depressieve kenmerken is gediagnosticeerd. Voorts heeft appellante gesteld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin deugdelijk is gemotiveerd nu de verzekeringsarts enkel dossierstudie heeft verricht zonder informatie in te winnen bij de PAAZ van het

St. Anna Ziekenhuis en de behandelend psychiater.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Ter zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat de gedragingen van appellante voor de werkgever een dringende reden vormden om de dienstbetrekking met appellante te beëindigen. Tevens is vastgesteld dat de gronden van het hoger beroep uitsluitend betrekking hebben op het verwijt dat appellante in dat verband kan worden gemaakt.

4.3.

Anders dan appellante stelt is het medische onderzoek door het Uwv zorgvuldig geweest. Het Uwv heeft kennis genomen van alle medische informatie die ten aanzien van appellante beschikbaar was, waaronder een brief van de behandelend psychiater in het

St. Anna Ziekenhuis, en heeft die informatie kenbaar in de beoordeling van de verwijtbaarheid betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 januari 2016 onder meer overwogen dat appellante zeer goed op de hoogte was van de gevolgen van haar gedrag en dat zij reeds in de voorgeschiedenis door de psychiater hierop is geattendeerd. Bij de doorverwijzing naar GGZ Momentum is het de psychiater aldaar gebleken dat de klachten van appellante niet voldoen aan de criteria voor specialistische zorg. Daaruit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de ernst van de alcoholabusus niet zodanig ernstig was, dat gesproken kon worden van een wilsonbekwaam zijn. Die conclusie is gemotiveerd en inzichtelijk.

4.4.

Niet betwist is dat bij appellante, ten tijde in geding, sprake was van een alcoholprobleem. Niet is echter gebleken dat bij appellante het besef ontbrak dat zij, indien zij onder invloed verkeerde, niet zou moeten autorijden. Verwezen wordt naar het hierboven genoemde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hieruit volgt dat de werkloosheid van appellante verwijtbaar is. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de werkloosheid haar niet in overwegende mate te verwijten is.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2018.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen

RH