Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
16/1294 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet verschoonbare overschrijding van de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden. Noch uit de brief van Paesen van 28 december 2015 noch uit de overige stukken blijkt dat het voor appellant om medische redenen onmogelijk is geweest om zelf, eventueel met behulp van een derde, tijdig een beroepschrift in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1294 WIA

Datum uitspraak: 25 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

22 januari 2016, 15/2755 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.A.M. van Vlerken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 14 november 2014 vastgesteld dat voor appellant per

1 december 2014 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van

14 november 2014 is bij beslissing op bezwaar van 8 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de termijn waarbinnen beroep ingesteld kan worden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is bestreden. Hij heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar een brief van 28 december 2015 van dr. L.J. Paesen, klinisch psycholoog bij GGzE, de instelling waarbij appellant sinds februari 2014 onder behandeling was. Volgens appellant kan hem, gelet op zijn psychische gesteldheid, niet worden verweten dat hij J.M. Trum, sociaal juridisch dienstverlener bij GGzE, pas begin september 2015 op de hoogte heeft gesteld van het bestreden besluit en haar hulp heeft ingeroepen bij het instellen van beroep daartegen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat uit de brief van Paesen van 28 december 2015 blijkt dat appellant ten tijde van belang wel in staat was andere zaken te regelen, zoals het verwerven van zelfstandige huisvesting, het gebruiksklaar maken van zijn nieuwe woning en het aanvragen van een bijstandsuitkering. Het Uwv heeft voorts gewezen op enkele stukken die zijn verzameld of opgesteld in het kader van de beoordeling van een verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 14 november 2014, waaronder een brief van Paesen van 28 september 2015, een rapport van Paesen van 15 oktober 2017 en rapporten van een verzekeringsarts van 1 juni 2017 en 11 december 2017.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Duidelijk is dat appellant te laat beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 8 juni 2015. De beroepstermijn liep tot en met 20 juli 2015 en pas op 9 september 2015 heeft de rechtbank een namens appellant door Trum ingediend beroepschrift ontvangen. Appellant betwist dit ook niet, maar stelt dat de rechtbank de overschrijding van de beroepstermijn ten onrechte niet verschoonbaar heeft geacht.

4.3.

Paesen stelt in zijn brief van 28 december 2015 dat appellant medio 2015 erg in beslag werd genomen door dreigende financiële problemen als gevolg van het eindigen van zijn uitkering van het Uwv en het verwerven van zelfstandige huisvesting. Appellant was ook druk doende met het aanvragen van een bijstandsuitkering. Volgens Paesen kan de enorme (emotionele) stress die de dreigende financiële problemen bij appellant opriepen, gevoegd bij het hoge habituele stressniveau van de borderline persoonlijkheidsstoornis, ervoor verantwoordelijk worden gehouden dat appellant vanwege zijn psychische conditie niet in staat is geweest om zich goed rekenschap te geven van de beroepstermijn van zes weken. Paesen stelt voorts dat het onder de omstandigheden niet redelijk is appellant op zijn eigen verantwoordelijkheid aan te spreken. Het blikveld van appellant werd volgens Paesen na het besluit van het Uwv vernauwd en hij heeft alle hoop en energie geïnvesteerd in het aanvragen van een bijstandsuitkering, wat eveneens moeizaam verliep.

4.4.

Uit de brief van Paesen van 28 december 2015 kan worden afgeleid dat appellant in de van belang zijnde periode aanzienlijke problemen ondervond. Uit wat Paesen in zijn brief stelt volgt echter niet logischerwijs dat appellant buiten staat was, eventueel met hulp, tijdig beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Daarbij wordt aangetekend dat, waar Paesen in zijn brief van 28 december 2015 refereert aan het verwerven van zelfstandige huisvesting, appellant daarin ook is geslaagd, nu Paesen in zijn brief van 28 september 2015 meldt dat appellant volop bezig is met het gebruiksklaar maken van zijn eigen woning. Dat appellant verder, zoals Paesen in zijn brief van 28 december 2015 stelt, alle hoop en energie heeft geïnvesteerd in het aanvragen van een bijstandsuitkering duidt er veeleer op dat appellant bepaalde keuzes heeft gemaakt en prioriteiten heeft gesteld dan dat het voor hem onmogelijk was, eventueel met hulp van bijvoorbeeld Trum, beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Daarbij wordt opgemerkt dat appellant niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij tot en met 20 juli 2015 niet in staat zou zijn geweest Trum in te schakelen, terwijl hij daar begin september 2015 wel toe in staat is gebleken.

4.5.

Geconcludeerd wordt dat noch uit de brief van Paesen van 28 december 2015 noch uit de overige stukken blijkt dat het voor appellant om medische redenen onmogelijk is geweest om zelf, eventueel met behulp van een derde, tijdig een beroepschrift in te dienen.

4.6.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) S.L. Alves

RB