Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
16/6335 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige gift. Inkomen. In dit geval is sprake van een eenmalige bijschrijving op de bankrekening van appellant afkomstig van zijn vader. Op de vader rust op grond van artikel 1:392, eerste en tweede lid, van het BW een onderhoudsverplichting ten opzichte van appellant in geval van behoeftigheid. Appellant heeft het bijgeschreven bedrag aangewend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. De bijschrijving is gedaan in een periode waarin hij niet over enige vorm van inkomsten beschikte. Appellant had wel een aanvraag om bijstand ingediend, maar daarop was nog niet beslist. Daarmee heeft de bijschrijving betrekking op een periode waarover een beroep op bijstand is gedaan. Onder deze omstandigheden komt de bijschrijving op zijn minst naar zijn aard overeen met de onder 4.2 genoemde inkomensbron. Dit betekent dat de bijschrijving op grond van artikel 32, eerste lid, van de PW als inkomen moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/238
JWWB 2018/217
RSV 2018/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6335 PW

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 augustus 2016, 15/5856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam moeder] , de moeder van appellant, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Namens appellant zijn verschenen W. Heesen en [naam moeder] , gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 24 maart 2015 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend.

1.2.

Uit een in het kader van de aanvraag overgelegd bankafschrift van appellant blijkt dat zijn vader op 31 maart 2015 een bedrag van € 1.900,- op zijn bankrekening heeft bijgeschreven met de omschrijving [omschrijving] .

1.3.

Bij besluit van 15 mei 2015 heeft het college aan appellant bijstand toegekend over de periode van 13 februari 2015 tot en met 6 april 2015. In dit besluit is vermeld dat appellant op de uitkeringsspecificatie kan zien hoe hoog de uitkering is en dat de inkomsten die hij ontvangt in mindering op de uitkering worden gebracht.

1.4.

Uit de uitkeringsspecificatie van 20 mei 2015 blijkt dat aan appellant over maart 2015 geen bijstand werd uitbetaald.

1.5.

Bij besluit van 29 september 2015 (bestreden besluit) - voor zover hier van belang - heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit geen bijstand uit te betalen over de maand maart 2015, ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant over maart 2015 geen recht had op bijstand, omdat hij over voldoende middelen beschikte gelet op het bedrag van € 1.900,- dat appellant op

31 maart 2015 van zijn vader heeft gekregen. Gelet op de hoogte en de bestemming wordt

het bedrag als middel in aanmerking genomen. Dit bedrag stond ter vrije besteding van appellant en kon worden ingezet ten behoeve van de noodzakelijke kosten van het dagelijkse levensonderhoud. Het bedrag wordt als inkomen en niet als vermogen aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend.

4.2.

Volgens artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met […] uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), […] dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.3.

Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder vermogen verstaan de middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen bedoeld in artikel 32 en 33.

4.4.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het onder 1.2 genoemde bedrag, dat door partijen wordt aangemerkt als gift, tot de middelen van appellant als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de PW moet worden gerekend. Het geschil betreft de vraag of de gift van € 1.900,- als inkomen of als vermogen in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het recht op bijstand. Appellant heeft aangevoerd dat het college de gift ten onrechte als inkomen in aanmerking heeft genomen. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft appellant aangevoerd dat sprake was van een eenmalig bedrag dat zijn vader naar zijn bankrekening heeft overgemaakt naar aanleiding van zijn verjaardag op 25 maart 2015. Geen sprake is van een middel dat naar zijn aard moet worden aangemerkt als inkomen. De gift moet daarom tot het vermogen worden gerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32, eerste lid, van de WWB

- welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 32, eerste lid, van de PW -

(Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 58-59) valt af te leiden dat de wetgever

voor ogen heeft gestaan dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid of uitkeringen, en kunnen worden ingezet voor de voorziening

in het levensonderhoud, waarop de bijstand slechts behoeft aan te vullen, als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Verder valt daaruit af te leiden dat de wetgever niet heeft beoogd een uitputtende opsomming van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen te geven, maar heeft volstaan met een aantal inkomensbronnen. Wel heeft de wetgever benoemd dat ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Een tweede criterium voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen is de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) volgt dat als betalingen een terugkerend karakter of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, sprake is van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat een eenmalige betaling niet als inkomen kan worden aangemerkt. Ook een eenmalige kasstorting kan onder omstandigheden als inkomen worden aangemerkt (zie de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055).

4.6.

In dit geval is sprake van een eenmalige bijschrijving op de bankrekening van appellant afkomstig van zijn vader. Op de vader rust op grond van artikel 1:392, eerste en tweede lid, van het BW een onderhoudsverplichting ten opzichte van appellant in geval van behoeftigheid. Appellant heeft het bijgeschreven bedrag aangewend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. De bijschrijving is gedaan in een periode waarin hij niet over enige vorm van inkomsten beschikte. Appellant had wel een aanvraag om bijstand ingediend, maar daarop was nog niet beslist. Daarmee heeft de bijschrijving betrekking op een periode waarover een beroep op bijstand is gedaan. Onder deze omstandigheden komt de bijschrijving op zijn minst naar zijn aard overeen met de onder 4.2 genoemde inkomensbron. Dit betekent dat de bijschrijving op grond van artikel 32, eerste lid, van de PW als inkomen moet worden aangemerkt.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college bij het bestreden besluit de gift terecht in aanmerking heeft genomen als inkomen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter, en van Straalen en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.E. Bon

LO