Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
16/6925 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand in verband met ontvangen erfenis. Peildatum bij aanspraak vóór bijstandsverlening. Beroep op gelijkheidsbeginsel omdat andere gemeente interingsnorm hanteert slaagt niet. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/215
Gst. 2018/168 met annotatie van F.M.E. Schulmer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6925 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

29 september 2016, 16/189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, Gemeentelijk collectief voor werk, inkomen & zorg (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 17 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.M. Nass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft de Raad meegedeeld geen verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nass. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand sinds 16 december 2013, aanvankelijk op grond van de

Wet werk en bijstand (WWB) en per 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW). Bij de aanvraag heeft appellant melding gemaakt van het overlijden van zijn vader [in]

2013 en een in verband met dit overlijden nog te ontvangen erfenis. Bij de toekenning van de bijstand heeft het dagelijks bestuur het vermogen van appellant vastgesteld op € 5.387,15 en in het toekenningsbesluit opgenomen dat als bij ontvangst van de erfenis

het vermogen van appellant hoger blijkt te zijn dan de voor hem geldende vermogensgrens,

de te veel ontvangen bijstand vanaf 16 december 2013 op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB zal worden teruggevorderd.

1.2.

Appellant heeft op 19 augustus 2015 aan het dagelijks bestuur gemeld dat hij op 18 augustus 2015 (een gedeelte van) de erfenis heeft ontvangen. Het gaat om een bedrag van € 7.126, 83.

1.3.

Bij besluit van 23 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

7 december 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 december 2013 tot 19 augustus 2015 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 6.718,98. Het dagelijks bestuur heeft bij de berekening van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening gehouden met het restant van de vermogensvrijlating bij aanvang van de bijstand. In aanmerking genomen de bij aanvang van de bijstand geldende vermogensgrens van € 5.795,- en het toen aanwezige vermogen van € 5.387,15, bedroeg het restant van de vermogensvrijlating € 407,85. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op het verschil tussen het bedrag van de ontvangen erfenis en dit restant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

4.2.

Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar de betrokkene daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan beschikken. Zodra de betrokkene over die middelen kan beschikken, kan het bijstandverlenend orgaan tot terugvordering overgaan.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 58, tweede lid, aanhef en f, ten eerste, van de PW, maar de bepalingen van de WWB had moeten toepassen. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat hij deze beroepsgrond niet langer handhaaft.

4.4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur niet had moeten uitgaan van de vermogensvrijlating ten tijde van de aanvang van de bijstand op 16 december 2013, maar van die ten tijde van de ontvangst van de erfenis op 18 augustus 2015. Pas op dat moment was duidelijk wat de omvang daarvan was. Volgens appellant bedroeg de omvang van het vrij te laten vermogen ten tijde van de ontvangst van de erfenis € 3.744,57 en kon daarom slechts € 3.382,26 worden teruggevorderd.

4.4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Of een bijstandverlenend orgaan op basis van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW kan overgaan tot terugvordering, hangt in de eerste plaats af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend. Verder is vereist dat de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige overige vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Bedoelde aanspraken kunnen zowel vóór als ná de aanvang van de bijstandsverlening zijn ontstaan. Ligt het tijdstip waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen zijn ontstaan vóór de aanvang van de bijstandsverlening dan is de situatie bij de aanvang van de bijstandsverlening beslissend. Is dat niet het geval dan geldt als peildatum de dag waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen zijn ontstaan. Vergelijk de uitspraak van 23 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0853. Deze rechtspraak heeft onder de werking van de PW zijn gelding behouden. Daarvan uitgaande en in aanmerking genomen dat appellant vanaf

16 december 2013 bijstand ontving en de aanspraak van appellant op zijn erfdeel

ontstond op het tijdstip van overlijden van zijn vader op 21 maart 2013, geldt in dit geval

16 december 2013 als peildatum. Anders dan appellant heeft betoogd, brengt de omstandigheid dat de omvang van zijn erfdeel hem pas bij ontvangst duidelijk werd,

niet mee dat de datum van ontvangst van de erfenis als peildatum moet worden aangehouden.

4.5.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het besluit om € 6.718,98 terug te vorderen is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Na de melding van de ontvangst van de erfenis heeft hij telefonisch met zijn klantmanager gesproken over de omvang van het terug te vorderen bedrag en een terugvorderingsbedrag van om en nabij € 3.382,26 genoemd. De klantmanager heeft toen bevestigd dat dit ongeveer het bedrag zou zijn dat appellant zou moeten terugbetalen. Een dag later belde de klantmanager hem op met de mededeling dat er toch meer teruggevorderd zou worden.

4.5.2.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk toezegging is gedaan. Zijn stelling dat de klantmanager hem telefonisch heeft bevestigd dat het door hem genoemde terugvorderingsbedrag ongeveer klopte, heeft appellant niet nader onderbouwd, terwijl het dagelijks bestuur deze stelling gemotiveerd heeft betwist.

4.6.1.

Appellant heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, omdat hij anders is behandeld dan zijn broer die van de gemeente Amsterdam bijstand ontving. Naar aanleiding van de ontvangst van de erfenis werd de bijstand van zijn broer over de periode van

21 maart 2013 tot en met 27 april 2014 ingetrokken en werden de kosten van bijstand over die periode teruggevorderd. Daarbij werd rekening gehouden met een interingsnorm van anderhalf maal de voor de broer geldende bijstandsnorm. Als het dagelijks bestuur in het geval van appellant met die interingsnorm rekening zou hebben gehouden, dan zou dit volgens hem het bedrag van de terugvordering terugbrengen tot € 4.479,32.

4.6.2.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Daarbij wordt vooropgesteld dat bij de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW geen plaats is voor het hanteren van de zogenoemde interingsnorm, inhoudende - kort gezegd - dat op het vermogen wordt ingeteerd met een bedrag per maand dat overeenstemt met anderhalf maal de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm. Vergelijk de uitspraak van 25 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6290. Deze rechtspraak heeft onder de werking van de PW zijn gelding behouden. Het dagelijks bestuur heeft dan ook terecht niet de interingsnorm gehanteerd. Dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in een vergelijkbaar geval de bijstand intrekt en kosten van bijstand terugvordert en daarbij de interingsnorm hanteert, betekent niet dat het dagelijks bestuur gehouden is dat ook te doen. De PW voorziet immers in gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.

4.7.1.

Appellant heeft ten slotte een beroep op de hardheidsclausule gedaan. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat door de opstelling van zijn zus de verdeling van de erfenis lang op zich heeft laten wachten. Als de afhandeling van de erfenis, zoals gebruikelijk, slechts

drie maanden zou hebben geduurd, zou hij veel meer van zijn erfdeel hebben overgehouden dan nu het geval is. Ook heeft appellant er in dit verband op gewezen dat, ook al wordt de PW gedecentraliseerd uitgevoerd, hij het onrechtvaardig vindt dat hij en zijn broer verschillend worden behandeld. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij met zijn beroep op de hardheidsclausule heeft beoogd aan te voeren dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien.

4.7.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het dagelijks bestuur voert blijkens de Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 het beleid dat van de bevoegdheid tot terugvordering als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f,

ten eerste, van de PW ten volle gebruik wordt gemaakt en dat besloten kan worden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het dagelijks bestuur is in het beleid niet afgeweken van de vaste rechtspraak over de uitleg van dringende redenen, zodat deze rechtspraak van toepassing is. Deze rechtspraak houdt in dat dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869). De feiten en omstandigheden die appellant heeft aangevoerd leiden niet tot het oordeel dat de terugvordering voor appellant onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen heeft, zodat geen sprake is van dringende redenen. Dat betekent dat het dagelijks bestuur heeft gehandeld in overeenstemming met het bij terugvordering gevoerde beleid.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Tuit

LO