Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
17/1395 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lagere vaststelling en terugvordering pgb. De aangevoerde omstandigheden maken niet dat het niet bijhouden van de vereiste administratie aan appellant niet zouden kunnen worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1395 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 december 2016, 15/3105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 18 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.R. Wagenaar-Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Appellant is verschenen bij zijn wettelijk vertegenwoordiger [A], bijgestaan door

mr. Wagenaar-Bakker. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. Hartman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 5.836,08,- (netto) verleend voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het Zorgkantoor het pgb over 2013 vastgesteld op het over 2013 verantwoorde bedrag van € 1.600,80 en van appellant € 4.235,28 teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 26 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2014 ongegrond verklaard. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de administratie van het pgb grote gebreken vertoont en dat, hoewel de verleende persoonlijke verzorging en begeleiding individueel uit het pgb mogen worden betaald, er geen aanleiding is de verantwoording over de periode juli tot en met december 2013 alsnog (gedeeltelijk) goed te keuren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Zorgkantoor bevoegd was om tot lagere vaststelling van het pgb over te gaan en dat hij bij afweging van alle belangen ook in redelijkheid tot de lagere vaststelling en terugvordering heeft kunnen komen. Daarbij is van belang geacht dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat de zorg waarvoor het pgb is verstrekt, ook daadwerkelijk aan appellant is verleend en dat hiervoor ook daadwerkelijk is betaald. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt niet duidelijk dat hij met het volledige pgb kwalitatief verantwoorde zorg heeft ingekocht. Zo heeft hij een bedrag van € 4.235,28 verantwoord voor persoonlijke verzorging, begeleiding groep en vervoer. Dit bedrag vertoont echter geen samenhang met de hoeveelheid uren en het afgesproken uurtarief in de zorgovereenkomst. Verder blijkt uit de stukken niet dat het bedrag van € 4.235,28 ook daadwerkelijk aan de zorgverlener is betaald voor geleverde AWBZ-zorg.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank er geen rekening mee heeft gehouden dat de zorgovereenkomst een verschrijving bevat (30 uren per maand in plaats van 30 uren per week) en dat er bij appellant bij de aanvraag van het pgb onduidelijkheid heeft bestaan, voor zover deze betrekking had op “begeleiding en vervoer”. Voorts is gesteld dat het Zorgkantoor ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de betaling in december (lees: november) 2016. Verder is het vertrouwensbeginsel geschonden omdat appellant van de zorgconsulent had begrepen dat geen urenbriefjes hoefden te worden bijgehouden en is het evenredigheidsbeginsel geschonden omdat niet in geschil is dat de zorgverlener daadwerkelijk zorg heeft verleend. Appellant heeft zich daarnaast beroepen op schending van onder andere het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur omdat hij tijdens de hoorzitting heeft begrepen dat een overboeking, ook als die zou plaatsvinden in 2016, nog zou kunnen worden geaccepteerd als verantwoording voor in 2013 verleende zorg. In dat verband heeft hij erop gewezen dat een betaling in december 2014 (lees: 2013) is geaccepteerd als (deel van de) verantwoording over de eerste helft van 2013.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa en dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dat geval bevoegd is het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. Uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij die lagere vaststelling een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de budgethouder onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Ook komt betekenis toe aan de vraag of en in welke omvang ABWZ-zorg is verleend en of die ook daadwerkelijk is betaald.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de over 2013 geboden begeleiding en persoonlijke verzorging van de budgethouder kunnen worden aangemerkt als AWBZ-zorg.

4.3.1.

De zorgverlener heeft voor de in de tweede helft van 2013 verleende zorg zes in 2016 opgemaakte declaraties en een bankafschrift met daarop een betaling in november 2016 overgelegd. De declaraties en de betaling beslaan ongeveer het gehele voor 2013 toegekende budget, terwijl een deel van dat budget (€ 1.365,-) al was gedeclareerd over de eerste helft van 2013. Tussen laatstbedoeld bedrag en het in de zorgovereenkomst vastgelegde bedrag

(€ 227,50 per maand) bestaat een verband, maar tussen het over de tweede helft van 2013 gedeclareerde en betaalde bedrag enerzijds en de zorgovereenkomst anderzijds is dat verband niet aanwezig. Van de verleende zorg heeft de zorgverlener ook geen urenbriefjes bijgehouden en ingeleverd. Zoals ook het Zorgkantoor heeft benadrukt, zijn het met name de (onverklaarde) discrepanties tussen deze voor de beoordeling relevante gegevens, die maken dat niet objectief kan worden vastgesteld dat het pgb op juiste wijze is aangewend voor de verleende zorg. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan dit probleem niet met een aanpassing achteraf van de zorgovereenkomst worden opgelost. Overigens kan in het voorliggende geval ook niet onmiddellijk van een vergissing blijken, als enerzijds wordt gesteld dat er 30 uren per week aan zorg werden verleend in plaats van 30 uren per maand, terwijl bij de verantwoording over het eerste halfjaar blijkens de declaratie en betaling wel van die 30 uren per maand is uitgegaan.

4.3.2.

De mededeling van een niet bij het zorgkantoor in dienst zijnde zorgconsulente tijdens een huisbezoek in december 2014, dat geen urenbriefjes meer worden verlangd als in de zorgovereenkomst een vast bedrag per maand en vaste verzorgingstijden worden opgenomen (en die blijkbaar in 2015 heeft geleid tot aanpassing met terugwerkende kracht van de zorgovereenkomst), maakt niet dat appellant er op mocht vertrouwen dat over 2013 geen urenbriefjes meer hoefden te worden ingevuld. Zo al aangenomen zou worden dat de verantwoording met het (nu alsnog opstellen en) aanleveren van de urenbriefjes zou mogen worden gecompleteerd, dan blijft overeind dat het gebrek in de verantwoording daarmee niet meer op een controleerbare wijze kan worden hersteld, zodat appellant niet in de gelegenheid hoeft of hoefde te worden gesteld om daarvoor alsnog zorg te dragen.

4.3.3.

Met de betaling in november 2016 van de toen alsnog ingediende declaraties kon niet meer worden voldaan aan de verleningsvoorwaarden waarvan al in 2014 was vastgesteld dat daaraan niet was voldaan, maar met deze gegevens zijn ook niet de discrepanties verdwenen of verklaard. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 20 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3273. Dat appellant van het Zorgkantoor had begrepen dat betalen voor de zorg ook nog in 2016 mogelijk was, maakt dat niet anders, er nog van afgezien dat het Zorgkantoor heeft betwist dat mededelingen in die richting aan appellant zijn gedaan. Dat

– na een beperkte controle – mogelijk een betaling in december 2013 wel is betrokken en geaccepteerd bij de verantwoording over het eerste halfjaar van 2013, betekent evenmin dat dat het Zorgkantoor reeds daarom gehouden zou zijn de betaling in november 2016 (alsnog) bij de verantwoording te betrekken.

4.4.

De aangevoerde omstandigheden dat de zorgverlener een druk huishouden heeft, dat zij van het Zorgkantoor een veelheid aan soms moeilijk te begrijpen brieven ontving, de onduidelijkheden rond de aanvraag, voor zover die betrekking had op “begeleiding en vervoer”, de wisselende bevoorschotting aan de budgethouder en de problematische gezondheidssituatie van de zorgverlener en haar kinderen in 2013, maken niet dat het niet bijhouden van de vereiste administratie aan appellant niet zouden kunnen worden verweten.

4.5.

Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

KS