Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:221

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
16/469 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag partnertoeslag AOW terecht afgewezen. Geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen omdat personen die in 1950 zijn geboren wel in aanmerking komen voor partnertoeslag en appellant niet. De Svb heeft op verschillende wijzen mensen die AOW ontvingen op de hoogte gebracht van de wijziging van het recht op partnertoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/469 AOW

Datum uitspraak: 19 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 december 2015, 15/3132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Sinds december 2005 ontvangt appellant een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij had geen recht op een partnertoeslag, vanwege de hoogte van het inkomen van zijn echtgenote. Appellant heeft met een brief van 18 december 2014 de Svb verzocht hem in aanmerking te brengen voor een partnertoeslag, omdat de WW-uitkering van zijn echtgenote per, naar later bleek, 2 februari 2015 zou eindigen. Met een besluit van

2 februari 2015 is de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden. Met een besluit van 15 mei 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de informatievoorziening over het afschaffen van de partnertoeslag onzorgvuldig is geweest en veel te laat. Als hij eerder hiervan op de hoogte was geweest, had zijn echtgenote eerder haar WW-uitkering kunnen beëindigen, waarna hij wel voor toeslag in aanmerking zou zijn gekomen. Hij meent dat er sprake is van ongelijke behandeling, omdat personen die in 1950 zijn geboren wel in aanmerking komen voor partnertoeslag en hij niet.

3.2.

Aan appellant is geen partnertoeslag toegekend wegens de wijziging van artikel 8 van de AOW met ingang van 1 januari 2015. Sinds die datum luidt dit artikel voor zover hier van belang:

“1. De pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.

2. In afwijking van het eerste lid ontstaat op of na 1 januari 2015, geen recht meer op toeslag als gevolg van:

a. wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid;

(…)”.

3.3.

Vaststaat dat appellant geen recht op toeslag had, omdat het inkomen van zijn echtgenote hoger was dan de volledige bruto-toeslag. De wijziging in de hoogte van het inkomen heeft zich voorgedaan na 1 januari 2015, zodat op grond van het van artikel 8, tweede lid, onder a, van de AOW het recht op toeslag niet meer kon ontstaan.

3.4.

Appellant stelt dat hij ongelijk behandeld wordt met AOW-gerechtigden, geboren in 1950, die wel recht op toeslag bleven behouden. Hij kan hierin niet worden gevolgd. Op de wijziging van artikel 8 van de AOW per 1 januari 2015 (de afschaffing van het recht op partnertoeslag) is voor een beperkte groep personen een uitzondering gemaakt. Dit betreft personen die in november en december 2014 65 jaar zijn geworden, maar door de verhoging van de leeftijd waarop recht ontstond op AOW pas per 1 januari 2015 recht kregen op AOW. Zij zouden hierdoor dus geen recht op toeslag kunnen krijgen, hoewel zij al wel 65 jaar waren. De situatie van deze groep AOW-gerechtigden is niet vergelijkbaar met de situatie van appellant, zodat van ongelijke behandeling van gelijke gevallen niet gesproken kan worden.

3.5.

Tot slot stelt appellant dat hij niet tijdig door de Svb op de hoogte is gebracht van de wijziging in het recht op toeslag per 1 januari 2015. Als hij tijdig was geïnformeerd, had zijn echtgenote haar WW-uitkering voor 1 januari 2015 kunnen beëindigen en had hij recht gehad op de partnertoeslag. Ook dit kan niet leiden tot een voor appellant gunstige uitkomst. De Svb heeft op verschillende wijzen mensen die AOW ontvingen op de hoogte gebracht van de wijziging van het recht op partnertoeslag. In het blad Mijn AOW van januari 2014 is hieraan uitvoerig aandacht besteed en ook is vanaf april 2014 op de website van de Svb te vinden welke wijzigingen per 1 januari 2015 van kracht zouden worden. Het blad Mijn AOW wordt standaard aan alle AOW-gerechtigden toegezonden. Daarnaast is op de website van de Rijksoverheid informatie verstrekt, met een doorlink-mogelijkheid naar de website van de Svb. Appellant heeft gesteld wel de website van de Rijksoverheid te hebben bezocht, waar niet geheel duidelijke informatie werd gegeven. Dat appellant vervolgens niet de site van de Svb heeft bezocht, dan wel op andere wijze contact met de Svb heeft opgenomen, komt voor zijn rekening en risico. Bovendien is aan de wijziging van het recht op partnertoeslag ook aandacht besteed in de reguliere pers.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat de rechtbank op juiste gronden het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2018.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

KS