Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
16/4588 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering kinderbijslag. Er is geen sprake van een nauwe en exclusieve relatie tussen betrokkene en [naam broer] , zodat geen sprake is van een pleegkind als bedoeld in artikel 4 van de AKW. Ook werd [naam broer] in deze periode niet door betrokkene verzorgd. Vaststelling hoogte boete wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/374
USZ 2018/256
NJB 2018/1593
JB 2018/152
AB 2018/365 met annotatie van L.J.A. Damen
RSV 2018/189
Belastingblad 2018/424 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4588 AKW, 16/5839 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 juni 2016, 15/8179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 12 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. drs. T.F.W. Kouwenhoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een zienswijze over het incidenteel beroep ingebracht en heeft een reactie ingezonden op het verweerschrift van de Svb.

De Svb heeft gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kouwenhoven. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft tot en met het tweede kwartaal van 2014 kinderbijslag ontvangen voor zijn bij hem verblijvende minderjarige broer [naam broer] , geboren [in] 1998. De Svb heeft bij besluit van 3 februari 2015 de betaling van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2014 definitief beëindigd omdat betrokkene niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie en op de uitnodiging om met [naam broer] het kantoor te bezoeken. Tijdens een bezoek van betrokkene aan de Svb op 18 februari 2015 heeft betrokkene verklaard dat [naam broer] in een periode in 2014 in Marokko heeft verbleven. In een op 23 april 2015 gedateerde onderhoudsverklaring heeft betrokkene vermeld dat [naam broer] vanaf 30 september 2013 in Marokko heeft verbleven.

1.2.

Bij besluit van 3 juli 2015 (primair besluit 1) heeft de Svb vastgesteld dat betrokkene geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam broer] over het vierde kwartaal van 2013 tot en met het tweede kwartaal van 2014 omdat [naam broer] niet meer bij betrokkene in huis woonde maar in Marokko en [naam broer] niet zijn eigen kind is. Dit besluit heeft de Svb elektronisch verzonden naar de Berichtenbox van betrokkene via MijnOverheid.

1.3.

Bij afzonderlijk besluit van 3 juli 2015 (primair besluit 2), verzonden aan de Berichtenbox van betrokkene, heeft de Svb het verzoek van betrokkene om in aanmerking te komen voor kinderbijslag voor [naam broer] afgewezen omdat [naam broer] niet zijn eigen kind is, geen aangehuwd kind of pleegkind is en ook niet gelijkgesteld kan worden met een pleegkind.

1.4.

Bij besluit van 18 augustus 2015 (primair besluit 3), eveneens verzonden aan de Berichtenbox van betrokkene, heeft de Svb een bedrag van € 1.241,34 van betrokkene teruggevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 821,34 aan te veel ontvangen kinderbijslag en een boete van € 420,-.

1.5.

Betrokkene heeft bij brief van 19 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Hij heeft in zijn brief vermeld dat hij door middel van een telefonisch contact met een medewerker van de Svb op 18 augustus 2015 heeft vernomen dat op 3 juli 2015 besluiten via MijnOverheid waren verstuurd. Nadat hij had ingelogd in MijnOverheid bleek in de besluiten van 3 juli 2015 te worden vermeld dat het bezwaarschrift vóór 15 augustus 2015 bij de Svb binnen moest zijn. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij geen gebruik maakte van MijnOverheid. Tijdens de hoorzitting heeft hij verklaard dat hij wellicht ooit iets ingevuld heeft bij MijnOverheid maar dat hij er nooit gebruik van heeft gemaakt.

1.6.

De Svb heeft bij besluit van 17 november 2015 (bestreden besluit) het bezwaar tegen primair besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 3 ongegrond verklaard.

2.1.

Nadat betrokkene beroep had ingesteld tegen het bestreden besluit heeft de Svb bij besluit van 24 december 2015 aan betrokkene kinderbijslag toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2015.

2.2.

De Svb heeft in beroep te kennen gegeven dat beide besluiten van 3 juli 2015 op 7 juli 2015 in de Berichtenbox van betrokkene zijn bezorgd en dat dit betekent dat uiterlijk op

18 augustus 2015 bezwaar gemaakt moest worden. Het bezwaar van betrokkene is op

25 augustus 2015 ontvangen met een poststempel van 24 augustus 2015 en is dus te laat ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene

niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit betrekking heeft op primair besluit 2, omdat betrokkene geen procesbelang meer heeft bij herroeping van dit besluit. Wat betreft primair besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat betrokkene duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij instemde met elektronisch berichtenverkeer. Daarbij is onduidelijk gebleven onder welke omstandigheden betrokkene zich heeft aangemeld en welke gebruiksvoorwaarden toen van toepassing waren. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat primair besluit 1 eerst op 7 juli 2015 in het systeem van MijnOverheid is bezorgd en dat de Svb niet eenduidig is omgegaan met het moment van aanvang van de bezwaartermijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt en heeft het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van dit besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Zelf voorziend heeft de rechtbank het bezwaar van eiser tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard. Betrokkene had geen recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2013 tot en met het tweede kwartaal van 2014, omdat uit de verstrekte stukken niet blijkt dat betrokkene heeft voldaan aan de onderhoudseis in deze kwartalen. De Svb was gehouden om de in verband hiermee onverschuldigd betaalde kinderbeslag terug te vorderen. De rechtbank heeft het beroep tegen primair besluit 3 ongegrond verklaard omdat er geen omstandigheden door betrokkene zijn aangevoerd die aanleiding geven tot verlaging van de boete.

Het incidentele beroep van Svb/Bekendmaking door middel van plaatsing in Berichtenbox

3.1.

Het incidentele hoger beroep van de Svb is gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep van betrokkene tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen primair besluit 1. De Svb heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat betrokkene bij het activatieproces voor het aanzetten van de Berichtenbox een aanvinkproces heeft doorlopen en daarbij de berichtvoorkeur voor de Svb heeft aangezet.

3.2.

De Raad heeft de Svb verzocht om toe te lichten wanneer de Berichtenbox is ingevoerd, op welke manier het systeem van registreren/aanvinken is veranderd in de loop der tijd en heeft verzocht het rapport van de Nationale Ombudsman van 6 september 2017, 2017/098, “Hoezo MIJNOverheid?” in de beantwoording te betrekken.

3.3.

De Svb heeft in een brief van 26 januari 2018 de volgende reactie aan de Raad doen toekomen:

“(…) MijnOverheid is een website van de Nederlandse overheid waarmee burgers hun overheidszaken via internet kunnen regelen. Op de website kan een account aangemaakt worden, waarna mensen hun post van de overheid via deze site kunnen ontvangen in de zogenaamde Berichtenbox. (…) In de maand april 2008 is de eerste versie ‘live’ gegaan (…) Sinds 1 juli 2011 is Logius verantwoordelijk voor het beheer van MijnOverheid. In de loop der tijd is het systeem van registreren/aanvinken veranderd. (…)

Het rapport van de Nationale Ombudsman ziet met name op gevallen waarin betrokkenen onbewust een berichtenvoorkeur aan hebben gezet en (…) onvoldoende beseften wat de gevolgen daarvan waren. Naar het oordeel van de SVB is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. Om gebruik te kunnen maken van de Berichtenbox op MijnOverheid moesten mensen zelf een account aanmaken op de website van MijnOverheid. Bij het aanmaken van een account moesten gebruikersvoorwaarden geaccepteerd worden. Appellant heeft zelf een overzicht van de inloggeschiedenis in de Berichtenbox overgelegd. Uit deze inloggeschiedenis blijkt dat hij voor het eerst in de Berichtenbox heeft ingelogd op 29 november 2013. Hieruit blijkt dat hij op

29 november 2013 zijn account bij MijnOverheid heeft aangemaakt. Op dat moment waren de Gebruiksvoorwaarden MijnOverheid versie 2.8 van 10 april 2013 van toepassing. Deze Gebruiksvoorwaarden heeft appellant bij het aanmaken van zijn account moeten accepteren. Uit artikel 2 van deze gebruiksvoorwaarden blijkt dat door het registreren bij MijnOverheid appellant kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is voor het ontvangen van elektronische berichten van de geselecteerde afnemers in de Berichtenbox. In deze Gebruiksvoorwaarden staan ook de wijzigingen ten opzichte van versie 2.7 benoemd. Te lezen is dat in deze nieuwe versie van de Gebruiksvoorwaarden onder andere het volgende is gewijzigd: - Het selecteren van overheidsorganisaties waarvan men berichten in de Berichtenbox wil ontvangen, is voortaan onderdeel van het registratieproces voor MijnOverheid. Tot nu toe waren standaard alle organisaties geselecteerd en kon de selectie pas na afsluiting van het registratieproces gewijzigd worden. Voorheen waren alle overheidsorganisaties die gebruik maken van de Berichtenbox automatisch aangevinkt. Pas na het registratieproces konden mensen de berichtenvoorkeur voor organisaties zelf uitvinken. Met de komst van de nieuwe Gebruiksvoorwaarden versie 2.8 is dit veranderd. Mensen kunnen zelf tijdens het registratieproces de vinkjes aanzetten bij organisaties waarvan zij berichten in de Berichtenbox willen ontvangen. Dit is vanaf dit moment dus een bewuste keuze van betrokkenen. Appellant heeft dit proces doorlopen en heeft daarmee expliciet kenbaar gemaakt voor de door hem aangevinkte aanbieders van de Berichtenbox via elektronische weg bereikbaar te zijn als bedoeld in artikel 2:14 van de Awb.

(…)

Sinds 1 november 2015 (inwerkingtreding Wet EBV) heeft elke Nederlander van

14 jaar of ouder een MijnOverheid account. (…) Het verschil voor en na 1 november 2015 is dat voorheen gebruiksvoorwaarden geaccepteerd moesten worden en na

1 november 2015 hoefde dat niet meer. Op 1 november 2015 is namelijk een wettelijke regeling ingevoerd (regeling GDI). In deze regeling is opgenomen dat iemand door het aanzetten van een berichtvoorkeur aangeeft langs elektronische weg bereikbaar te zijn. (…)”

De Svb heeft bij deze brief de Beleidsreactie op het rapport van de Nationale Ombudsman van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 6 december 2017 en de Gebruiksvoorwaarden MijnOverheid versie 2.8 van 10 april 2013 gevoegd.

3.4.

Betrokkene heeft gesteld dat hij voorafgaande aan de besluiten van 3 juli 2015 steeds op papier met de Svb heeft gecorrespondeerd. Ter zitting heeft betrokkene in reactie op de brief van de Svb van 26 januari 2018 gesteld dat hij de Gebruiksvoorwaarden versie 2.8 met datum

23 april 2014 heeft. Daarbij heeft hij betoogd dat de wijziging van versie 2.7 naar versie 2.8 heeft ingehouden dat de vinkjes die ‘aanstonden’ ten tijde van versie 2.7 pas na het doorlopen van de registratie konden worden uitgezet en met versie 2.8 de vinkjes nog steeds ‘aanstonden’, maar deze tijdens de registratie konden worden uitgezet. Volgens betrokkene kunnen pas met ingang van 1 november 2015 de vinkjes handmatig ‘aangezet’ worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 2:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch kan worden verzonden, mits de bepalingen van deze afdeling in acht worden genomen.

4.1.2.

In artikel 2:14, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

4.1.3.

In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.

De Nationale Ombudsman heeft in het genoemde rapport van 6 september 2017 het volgende geconstateerd dan wel geconcludeerd:

- In drie rapporten is aan de orde gesteld dat burgers digitaal sneller een vergissing kunnen maken en daarvoor niet onredelijk gestraft moeten worden en dat overheidsinstanties burgers actief zouden moeten benaderen als een e-mailnotificatie niet kan worden afgeleverd of burgers hun berichten lange tijd niet openen (blz. 8).

- De Nationale Ombudsman krijgt signalen van mensen die onbedoeld het account hebben geactiveerd en/of post hebben ontvangen in de Berichtenbox van instanties terwijl zij daar niet bewust voor hebben gekozen (blz. 15).

- Sinds de inwerkingtreding van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (EBV) per 1 november 2015 is er voor het berichtenverkeer van de Belastingdienst een wettelijke basis om burgers te verplichten berichten digitaal te ontvangen (blz. 15). Burgers die vóór november 2015 hun account en daarmee hun Berichtenbox activeerden, zagen op hun scherm een zogenoemde ‘opt-out mogelijkheid’. Alle overheidsinstanties stonden ‘aangevinkt’, wat betekende dat de burger in principe accepteerde dat hij voortaan van alle op de Berichtenbox aangesloten overheidsinstanties de berichten digitaal zou ontvangen. Indien de burger dit niet wilde, moest hij actief de vinkjes bij de overheidsinstanties uitzetten. Zelfs indien nieuwe instanties zich aansloten bij de Berichtenbox, werden deze instanties in principe ook ‘aangevinkt’ en moest de burger dit binnen zes weken uitzetten als hij geen digitale post wilde van deze instanties. Hierdoor ontstond de situatie waarin burgers post van instanties in de Berichtenbox ontvingen terwijl zij daar zelf geen toestemming voor hadden gegeven (blz. 16 en 17).

-Vanaf 1 november 2015 maakt MijnOverheid gebruik van een ‘opt-in mogelijkheid’. Alle instanties, met uitzondering van de Belastingdienst, staan ‘uitgevinkt’ (blz. 17).

4.3.

De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat de onderhavige zaak wat betreft activering van de Berichtenbox afwijkt van de gevallen beschreven in het rapport van de Nationale Ombudsman. Betrokkene heeft gesteld dat hij niet bewust de Berichtenbox voor de afnemer Svb heeft geactiveerd. Voorts blijkt uit de wijziging van de Gebruiksvoorwaarden versie 2.8 ten opzichte van Gebruiksvoorwaarden versie 2.7 niet eenduidig dat vanaf versie 2.8. het

‘opt-out systeem’ was verlaten. Op grond van de weergegeven tekst is het mogelijk dat de wijziging slechts heeft ingehouden dat niet meer, zoals eerder, eerst het hele registratieproces doorlopen moest worden voordat er, na opnieuw inloggen, vinkjes ‘uitgezet’ konden worden doch dat dit als onderdeel van het registratieproces kon worden gedaan. Vermeld is immers dat een wijziging ten opzichte van versie 2.7 is dat het selecteren van overheidsorganisaties waarvan men berichten in de Berichtenbox wil ontvangen voortaan onderdeel is van het registratieproces van MijnOverheid. “Tot nu toe waren standaard alle organisaties geselecteerd en kon de selectie pas na afsluiting van het registratieproces gewijzigd worden.” Gelet ook op de inhoud van het genoemde rapport van de Nationale Ombudsman waarin er vanuit wordt gegaan dat het ‘opt-out systeem’ eerst met ingang van november 2015 een

‘opt-in systeem’ is geworden, bestaat er op zijn minst twijfel over de juistheid van het standpunt van de Svb hierover. Deze twijfel dient voor rekening en risico van de Svb te komen, aangezien verzending per post de hoofdregel is en een bestuursorgaan berichten slechts elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij op die manier voldoende bereikbaar is. Vooropgesteld dat betrokkene slechts een ‘opt-out mogelijkheid’ heeft gekregen, staat niet vast dat betrokkene zelf duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij ook voor de Svb voor elektronisch berichtenverkeer bereikbaar is. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1902), volgt uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb niet slechts dat geadresseerde langs elektronische weg voldoende bereikbaar moet zijn maar ook dat deze duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt langs die weg bereikbaar te zijn voor het bericht of de berichten waar het om gaat. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat primair besluit 1 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat de bezwaartermijn niet eerder is aangevangen dan op 18 augustus 2015, toen betrokkene bekend raakte met de inhoud van dat besluit.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het incidenteel hoger beroep van de Svb niet slaagt. De aangevallen uitspraak kan in zoverre worden bevestigd.

Het hoger beroep van betrokkene

5.1.

Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen primair besluit 1 en de ongegrondverklaring van het beroep tegen primair besluit 3. De rechtbank heeft volgens betrokkene ten onrechte geoordeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2013 tot en met het tweede kwartaal van 2014. Betrokkene heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij wel aan de onderhoudseis heeft voldaan. De boete is volgens betrokkene onterecht opgelegd omdat de herziening en de terugvordering van de kinderbijslag onterecht zijn.

5.2.

De Svb heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [naam broer] niet aangemerkt kan worden als pleegkind en ook niet op grond van de Regeling gelijkstelling pleegkinderen gelijkgesteld kan worden met een pleegkind in de periode waarop de herziening en de terugvordering van de kinderbijslag betrekking heeft. Subsidiair heeft de Svb betoogd dat betrokkene niet heeft voldaan aan de onderhoudseis in deze kwartalen.

5.3.

Betrokkene heeft in reactie hierop naar voren gebracht dat de IND [naam broer] als pleegkind heeft erkend en op die grond een verblijfsvergunning heeft verstrekt. De pleegkindstatus is ter zitting van de rechtbank slechts zijdelings aan de orde gekomen en het zijn van pleegkind kan geen onderwerp van discussie meer zijn. Betrokkene heeft er in dit verband op gewezen dat hij, voordat [naam broer] in Marokko verbleef en ook weer vanaf

1 januari 2015, wel kinderbijslag heeft ontvangen.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De herziening en terugvordering

6.1.1.

Op grond van artikel 4, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt als pleegkind beschouwd het kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.

6.1.2.

In artikel 1, eerste en tweede lid, van de Regeling gelijkstelling pleegkinderen (Stcrt.)

6 december 2002, nr. 236) is het volgende bepaald:

1. Indien een kind onder gezag staat van een verzekerde niet zijnde zijn wettige ouder en door die verzekerde als een eigen kind wordt onderhouden, wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind.

2. Indien een kind tot het huishouden behoort van een verzekerde niet zijnde zijn wettige ouder en door die verzekerde:

a. als een eigen kind wordt onderhouden; en

b. wordt verzorgd, wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind.

6.1.3.

Op grond van artikel 14a, eerste lid, onder a en b, van de AKW herziet de Svb een besluit tot toekenning van kinderbijslag of trekt zij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag en indien anderszins de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

6.1.4.

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AKW wordt de kinderbijslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door de Svb van de verzekerde teruggevorderd.

6.2.

De vraag of betrokkene over het vierde kwartaal van 2013 tot en met het tweede kwartaal van 2014 aanspraak had op kinderbijslag, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in de AKW. Het gaat er dus om of [naam broer] als pleegkind in de zin van de AKW en de op de AKW gebaseerde regelgeving kan worden aangemerkt.

6.3.

Betrokkene heeft het tot april 2015 doen voorkomen alsof [naam broer] zijn kind was. De Svb heeft de kinderbijslag bij primair besluit 1 over de kwartalen in geding herzien omdat [naam broer] niet het eigen kind is van betrokkene én in het buitenland verbleef. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2003:AN8990) kan een verzekerde slechts dan geacht worden een kind als een eigen kind op te voeden indien de verzekerde, met betrekking tot de opvoeding van het kind, de plaats inneemt van de ouder(s) van dat kind en er in dat opzicht tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. De opvoedingseis dient daarbij daadwerkelijk gestalte te krijgen, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het betrokken kind. Met de Regeling gelijkstelling pleegkinderen is beoogd om de uitbetaling van kinderbijslag mogelijk te maken in de in artikel 1 van deze Regeling genoemde situaties.

6.4.

In de periode hier in geding verbleef [naam broer] niet bij betrokkene maar bij zijn ouders in Marokko. In deze periode is geen sprake van een nauwe en exclusieve relatie tussen betrokkene en [naam broer] , zodat geen sprake is van een pleegkind als bedoeld in artikel 4 van de AKW. Ook werd [naam broer] in deze periode niet door betrokkene verzorgd. Gelijkstelling aan een pleegkind op grond van artikel 1, tweede lid, van de Regeling is dan ook niet aan de orde. De ouders van [naam broer] hebben door middel van een “Consentement des deux parents” op 3 augustus 2009 verklaard dat betrokkene zorg draagt voor de levensbehoeften, onderdak, voeding, drinken en kleding, reis en studie en andere behoeften van [naam broer] . Deze verklaring betreft geen officiële overdracht van het gezag over [naam broer] aan betrokkene. Omdat ook niet anderszins is gebleken dat betrokkene het gezag heeft over [naam broer] , moet worden geconcludeerd dat [naam broer] in de periode in geding ook niet op grond van artikel 1, eerste lid, van de Regeling gelijkgesteld kan worden met een pleegkind.

6.5.

Uit 6.1 tot en met 6.4 volgt dat betrokkene geen recht had op kinderbijslag over het vierde kwartaal 2013 tot en met het tweede kwartaal 2014. De Svb heeft daarom terecht het recht op de kinderbijslag over deze kwartalen herzien. Gelet op artikel 24a, eerste lid, van de AKW was de Svb gehouden om de over deze kwartalen onverschuldigd betaalde kinderbijslag terug te vorderen.

6.6.

De aangevallen uitspraak dient, voor zover deze betrekking heeft op de herziening en de terugvordering, te worden bevestigd met verbetering van gronden.

De boete

6.7.

Op grond van artikel 15 van de AKW is de verzekerde verplicht aan de Svb op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de kinderbijslag, het geldend maken van het recht op kinderbijslag of op het bedrag van de kinderbijslag, dat wordt betaald. Op grond van

artikel 17a van de AKW legt de Svb een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting in artikel 15.

6.8.

Betrokkene heeft niet uit zichzelf bij de Svb gemeld dat [naam broer] van 30 september 2013 tot de zomer van 2014 in Marokko verbleef. Dat heeft betrokkene pas in 2015, na herhaalde informatieverzoeken van de Svb gedaan. Betrokkene had het verblijf van [naam broer] in Marokko moeten melden. Betrokkene kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. De Svb was daarom in beginsel gehouden met toepassing van artikel 17a van de Akw een boete op te leggen. De Svb heeft de boete op grond van Beleidsregel SB1108 bepaald op 50% van het benadelingsbedrag ad

€ 821,34. De boete bedraagt daarom in beginsel € 410,67. De Svb heeft de boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit), zoals dat luidde tot 1 januari 2017, naar boven afgerond op een veelvoud van

€ 10,- en vastgesteld op € 420,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit gewijzigd, als gevolg waarvan de boete niet meer naar boven afgerond wordt op een veelvoud van € 10,-. Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van betrokkene een boete van € 410,67 passend en geboden is.

6.9.

Uit 6.8 volgt dat het hoger beroep van betrokkene slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boete. Doende wat de rechtbank had behoren te doen wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de boete en het besluit van 18 augustus 2015 herroepen voor zover daarbij de hoogte van de boete is vastgesteld op € 420,-. Met toepassing van

artikel 8:72a van de Awb zal het boetebedrag worden vastgesteld op € 410,67.

7. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.503,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Nu niet is gebleken van proceskosten in bezwaar bestaat om die reden al geen aanleiding voor vergoeding daarvan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de

boete;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 november 2015 in zoverre;

- herroept het besluit van 18 augustus 2015 voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 410,67 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 17 november 2015;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.503,-;

- bepaalt dat de Svb aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en T.L. de Vries en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2018.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) M.A.A. Traousis

KS