Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
16/3764 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen reden is om voor appellante meer beperkingen als gevolg van haar psychische klachten aan te nemen dan door de verzekeringsartsen is gedaan. Overwegingen rechtbank geheel onderschreven. Ook ten aanzien van de aangenomen fysieke beperkingen wordt het oordeel van de rechtbank gevolgd dat deze door de verzekeringsartsen juist zijn ingeschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen is er geen reden om de onderbouwde conclusie van de arbeidskundige bezwaar en beroep niet te volgen, dat appellante in staat moet worden geacht de functie van magazijn/expeditiemedewerker uit te oefenen. Uwv terecht vastgesteld dat appellante geen recht had op een ZW-uitkering en tevens terecht besloten dat appellante per 8 september 2015 geen recht had op een WIA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3764 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

26 april 2016, 15/6455 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.M.H. Simons, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als tandtechnicus voor 29,5 uur per week. Appellante heeft zich op 12 mei 2010 ziek gemeld. Het Uwv heeft bij besluit van 17 april 2012 vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van

9 mei 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen ongeschikt geacht voor haar werk als tandtechnicus maar wel in staat geacht de functies van magazijn/expeditiemedewerker (SBC-code 111220), boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040) en telefonist, receptionist (SBC-code 315120) te vervullen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

24 september 2012 ongegrond verklaard. Vanaf 9 mei 2012 heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Appellante heeft zich op 10 september 2013 ziek gemeld met fysieke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellante op dat moment niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Onder meer in verband met een mogelijke operatie aan haar pols had appellante op dat moment volgens de verzekeringsarts geen benutbare mogelijkheden. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (toetsing) heeft een verzekeringsarts appellante op 23 juni 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juni 2015. De verzekeringsarts heeft appellante vervolgens per 24 juli 2015 geschikt geacht voor de haar per 9 mei 2012 bij de WIA-beoordeling voorgehouden functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2015 vastgesteld dat appellante per 24 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3.

Appellante heeft op 18 juni 2015 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 20 juli 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 8 september 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij niet 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.

1.4.

De bezwaren van appellante tegen de beslissingen van 17 juli 2015 en 20 juli 2015 heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 15 september 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 24 september 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de handfunctie van appellante beperkter is dan eerder was aangenomen. Om die reden zijn twee van de drie eerder voor appellante geselecteerde functies niet geschikt voor haar bevonden, maar wel de functie van magazijn/expeditiemedewerker (SBC-code 111220).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en de arbeidsmogelijkheden van appellante juist heeft vastgesteld. De in beroep overgelegde informatie van artsen die appellante hebben onderzocht en behandeld en het advies van verzekeringsarts-medisch adviseur E.C. van der Eijk boden volgens de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsartsen van het Uwv. Uitgaande van de juistheid van de opgestelde medische beperkingen is er volgens de rechtbank geen reden om appellante niet in staat te achten de genoemde functie van magazijn/expeditiemedewerker te verrichten. Daaruit volgt tevens dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante voor een WIA-uitkering in aanmerking te brengen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd en onderbouwd gesteld dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Volgens appellante was het medisch onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig, zijn haar psychische en fysieke beperkingen onderschat en was zij niet in staat de functie van magazijn/expeditiemedewerker uit te oefenen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Ter beoordeling is of de rechtbank juist heeft geoordeeld door te beslissen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 24 juli 2015 geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat zij per die datum met haar beperkingen in staat was de functie van magazijn/expeditiemedewerker (SBC-code 111220) te verrichten. Als dat oordeel juist wordt bevonden, dan betekent dat voor dit geval dat de rechtbank tevens het besluit waarbij appellante niet in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten.

4.3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de verzekeringsartsen voorbij zijn gegaan aan haar psychische klachten die ook blijken uit de rapportages van Vitae Versa waar appellante op verzoek van het Uwv is begeleid. Zoals ook medisch adviseur Van der Eijk heeft gesteld, is er met appellante meer aan de hand dan alleen de stemmingsstoornis waar de verzekeringsartsen melding van hebben gemaakt. Appellante meent dat door de verzekeringsartsen ten onrechte geen of te weinig onderzoek is gedaan naar haar psychische klachten.

4.3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 21 juli 2016 gereageerd op de stellingen van appellante en vermeld dat hij, zoals blijkt uit zijn rapport van

15 september 2015, wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de psychische gesteldheid van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat wat is vermeld in de rapportages van Vitae Versa is gebaseerd op door appellante ingevulde vragenlijsten en niet op onderzoek door een arts. Ook Van der Eijk heeft zijn conclusies getrokken op basis van alleen dossieronderzoek en zonder daadwerkelijk onderzoek van appellante.

4.3.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen reden is om voor appellante meer beperkingen als gevolg van haar psychische klachten aan te nemen dan door de verzekeringsartsen is gedaan. De overwegingen van de rechtbank daaromtrent worden geheel onderschreven. Medisch adviseur Van der Eijk meent dat er aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen en verwijst daarvoor onder meer naar de brief van

13 oktober 2015 van behandelend psycholoog L. Hoeben. Deze meldt echter alleen de door appellante bij aanmelding geuite klachten, namelijk angst- en spanningsklachten. De mate waarin deze klachten reëel zijn en of daarvoor een relevante diagnose kan worden gesteld, blijft echter onduidelijk. Ook de resultaten van de sessies bij Vitae Versa zijn niet gebaseerd op een daadwerkelijk verricht psychiatrisch onderzoek, maar het resultaat van een analyse van door appellante ingevulde vragenlijsten. Een verzekeringsarts heeft appellante op 23 juni 2015 gezien en de informatie van Vitae Versa bij zijn beoordeling betrokken. Inderdaad heeft hij zich vervolgens beperkt tot het noteren van een stemmingsstoornis, maar deze beoordeling is getoetst door de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens het onderzoek op

11 september 2015. Uit dat onderzoek komen ook geen aanwijzingen naar voren voor een depressief of ander psychiatrisch ziektebeeld. Nu vervolgens wel met enkele psychische beperkingen rekening is gehouden is er geen reden om dit onvoldoende te achten.

4.4.1.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar polsklachten en een Carpaal Tunnelsyndroom (CTS), waarvoor zij wordt behandeld. Zij heeft betwist dat haar klachten op de datum in geding, 24 juli 2015, verminderd waren en heeft gesteld dat de verzekeringsartsen dat ten onrechte hebben geconcludeerd uit het uitblijven van een operatie. Appellante heeft verwezen naar de EMG van 9 juli 2015 en naar informatie van haar behandelend neuroloog. Appellante stelt dat haar beperkingen alleen maar zijn toegenomen, dat zij nog geen kopje kan vasthouden, dus zeker niet de functie van magazijn/expeditiemedewerker kan uitoefenen.

4.4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie gesteld dat de wijzigingen in de fysieke belastbaarheid van appellante voorafgaande aan de datum in geding door hem zijn meegenomen bij de inschatting van de belastbaarheid van appellante.

4.4.3.

Ook ten aanzien van de aangenomen fysieke beperkingen wordt het oordeel van de rechtbank gevolgd dat deze door de verzekeringsartsen juist zijn ingeschat. Medisch adviseur Van der Eijk heeft blijkens zijn advies van 19 februari 2016 geen reden gezien om de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt onvoldoende te achten. Uit de rapportage van 15 september 2015 kan ook worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep reden zag om appellante door de recente ontwikkelingen op dat aspect meer beperkt te achten. Dat hij daarmee de beperkingen van appellante nog heeft onderschat, volgt niet uit de voorhanden medische informatie.

4.5.

Als met de beperkingen van appellante zoals die zijn vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening wordt gehouden, is er geen reden om de onderbouwde conclusie van de arbeidskundige bezwaar en beroep niet te volgen, dat appellante in staat moet worden geacht de functie van magazijn/expeditiemedewerker uit te oefenen. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat appellante die functie op 24 juli 2015 kon uitoefenen, waaruit volgt dat zij niet arbeidsongeschikt was en het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante geen recht had op een ZW-uitkering. Dat betekent tevens dat terecht is besloten dat appellante per

8 september 2015 geen recht had op een WIA-uitkering.

5. De overwegingen 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.R. Trox

RB