Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
17/5611 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lagere vaststelling en terugvordering pgb. De verantwoording van de besteding van het pgb is de eigen verantwoordelijkheid van appellante als budgethouder. Dit uitgangspunt geldt ook als appellante het beheer van het pgb door een belangenbehartiger laat verrichten. Door de belangenbehartiger zijn fouten gemaakt bij de verantwoording van het pgb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5611 AWBZ

Datum uitspraak: 18 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 juli 2017, 17/529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.H. Kappelhof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellante voor het jaar 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 32.672,18 (netto).

1.2.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellante voor het jaar 2010 vastgesteld op € 18.541,53 en een bedrag van € 14.130,65 van appellante teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor beslissend op bezwaar, voor zover hier van belang, het besluit van 21 juni 2012 gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat een deel van de verantwoording is afgekeurd, omdat appellante ter zake niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9 van de Rsa gestelde verplichtingen. Bij een afweging van de belangen heeft het Zorgkantoor geen aanleiding gezien om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheden om het pgb lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten van appellante terug te vorderen. In dat kader is overwogen dat op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat het pgb voor wat betreft de (zorgverlenende) instanties [zorgverlener 1] ( [zorgverlener 1] ) en [zorgverlener 2] is besteed aan AWBZ-zorg en dat niet is gebleken dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor appellante heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen, en zelf in de zaak voorzien door aan appellante een vergoeding van de kosten in bezwaar toe te kennen. Ten aanzien van de inhoudelijke grond tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet maken dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Daartoe is het volgende overwogen. De verantwoording van de besteding van het pgb is de eigen verantwoordelijkheid van appellante als budgethouder. Dit uitgangspunt geldt ook als appellante het beheer van het pgb door een belangenbehartiger laat verrichten. Dat door (niet opzettelijke) fouten van de belangenbehartiger ingekochte zorg niet op de juiste wijze kon worden verantwoord, levert geen situatie op die op een lijn moet worden gesteld met situaties van fraude waarin het Zorgkantoor aanleiding heeft gezien af te zien van terugvordering bij de budgethouder. Voorts leiden de omstandigheden dat appellante ziek is en een grote schuldenlast heeft niet tot de conclusie dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft. Het zorgkantoor is bereid een betalingsregeling te treffen. Daarnaast zal van invordering slechts sprake kunnen zijn voor zover de inkomsten de beslagvrije voet te boven gaan. Verder is niet gebleken dat de terugvordering leidt tot (ernstige) gezondheidsschade en het moeten opgeven van haar huisvesting.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is geoordeeld dat de door het Zorgkantoor verrichte belangenafweging niet onevenredig is. In dit verband is het volgende aangevoerd. De verantwoording van het pgb voor zover het betreft betalingen aan [zorgverlener 1] ter voldoening van de lasten voor het wonen in het door appellante van [zorgverlener 1] gehuurde appartement in de [adres] , is ten onrechte afgewezen nu het hier betalingen voor kwalitatief verantwoorde zorg betreft. Verder moet betekenis toekomen aan de omstandigheid dat appellante vanwege beperkingen ten gevolge van haar ziektebeeld zelf niet in staat is om het pgb te beheren. Zij heeft noodzakelijkerwijs een derde moeten inschakelen om haar belangen te behartigen. Zij was volledig afhankelijk van deze derde en heeft blindelings de door deze persoon gegeven adviezen gevolgd. Door de belangenbehartiger zijn fouten gemaakt bij de verantwoording van het pgb. Onder deze omstandigheden is het niet redelijk appellante volledig verantwoordelijk te houden voor de gebrekkige verantwoording. Voorts is het niet redelijk dat bij niet opzettelijk gemaakte fouten in de verantwoording wordt teruggevorderd terwijl het Zorgkantoor bij fraudegevallen afziet van terugvordering. Ten slotte wordt aangevoerd dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft wegens de kans op ernstige gezondheidsschade en de mogelijkheid van verlies van huisvesting. Bij een inkomen tot de beslagvrije voet zal appellante geen gebruik meer kunnen maken van diensten en voorzieningen die zij gelet op haar medische situatie nodig heeft.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In hoger beroep is alleen in geschil het oordeel van de rechtbank over de

belangenafweging die het Zorgkantoor op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitoefening van de bevoegdheden om het pgb lager vast te stellen en de betaalde voorschotten terug te vorderen, in acht dient te nemen.

4.2.1.

Appellantes stelling dat de door haar verantwoorde betalingen aan [zorgverlener 1] moeten worden aangemerkt als kosten voor AWBZ-zorg, vindt geen steun in de door appellante overgelegde stukken. Het Zorgkantoor heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift in beroep deugdelijk gemotiveerd dat het verblijf in het van [zorgverlener 1] gehuurde appartement geen kortdurend verblijf betrof als omschreven in artikel 2.6.1 onder d van de Rsa. Verder is niet gesteld, noch gebleken, dat door [zorgverlener 1] AWBZ-zorg in de zin van artikel 2.6.1 onder b van de Rsa is verleend. Nu niet aannemelijk is geworden dat de betalingen uit het pgb aan [zorgverlener 1] gekwalificeerd moeten worden als betalingen voor AWBZ-zorg is het niet accepteren van de verantwoording ten aanzien van [zorgverlener 1] geenszins onredelijk. Dat het verblijf in de van [zorgverlener 1] gehuurde woning vanuit het perspectief van appellante kwalitatief verantwoorde zorg is, doet aan het voorgaande niet af.

4.2.2.

Ook in de situatie dat appellante vanwege haar beperkingen zelf niet in staat is om

het pgb te beheren en daarom het beheer van het pgb overlaat aan een derde, blijft

(de verantwoording van) de besteding van het pgb behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante. Daartoe behoort ook de verantwoordelijkheid om, via deze derde, na te gaan of bepaalde zorg uit het pgb bekostigd kan worden, voordat deze zorg wordt ingekocht. Voor zover de derde fouten heeft gemaakt bij (de verantwoording van) de besteding van het pgb, komt dat in de relatie tussen appellante en het Zorgkantoor voor haar rekening en risico.

4.2.3.

Anders dan appellante meent, ziet het Zorgkantoor niet af van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling dan wel terugvordering in geval van pgb-fraude. Het Zorgkantoor heeft verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2408) waarin is geoordeeld dat de bescherming van de budgethouder tegen frauderende zorgaanbieders niet moet worden geplaatst in het kader van, de nu voorliggende, beoordeling van het vaststellings- en terugvorderingbesluit, maar in het kader van de invordering. Voor zover appellante meent dat haar situatie op één lijn moet worden gesteld met die van een frauderende zorgaanbieder, zal zij zich met deze stelling in het kader van de invordering tot het Zorgkantoor moeten wenden dan wel zal zij zich hierop moeten beroepen bij wege van verweer in een geding bij de burgerlijke rechter.

4.2.4.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.3 volgt dat de door appellante aangevoerde omstandigheden

er niet toe leiden dat het oordeel van de rechtbank over het resultaat van de door het Zorgkantoor verrichte belangenafweging bij de lagere vaststelling van het pgb onjuist is.

4.3.

Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat de door appellante aangevoerde omstandigheden er niet toe leiden dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Niet is gebleken dat de terugvordering bij appellante tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Appellante heeft haar stelling dat zij bij een inkomen tot de beslagvrije voet geen gebruik meer zal kunnen maken van diensten en voorzieningen die zij gelet op haar medische situatie nodig heeft, op geen enkele wijze onderbouwd.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

KS