Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
15/7795 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:7617, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum WAO uitkering één jaar voor de indiening van aanvraag is juist vastgesteld. Beperkingen niet onderschat. De enkele omstandigheid dat inmiddels een lichte verstandelijke handicap bij appellante is vastgesteld, maakt niet dat haar beperkingen hiermee zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7795 WAO

Datum uitspraak: 24 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 oktober 2015, 15/1240 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft het Uwv een vraag gesteld.

Het Uwv heeft vervolgens een nieuw besluit genomen als onder 3.2 vermeld. Ook heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Namens appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft van 16 maart 2000 tot 31 juli 2005 in verband lichamelijke klachten die, naar later is gebleken, pasten bij een familiaire mediterrane koorts (FMF) een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 31 juli 2005 ingetrokken.

1.2.

Op 25 juli 2013 heeft het Uwv van appellante een wijzigingsformulier ontvangen, ondertekend op 16 juli 2013, waarin zij te kennen heeft gegeven dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Op 4 december 2013 heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze heeft gesteld dat sprake is van vier weken onafgebroken toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak ‘binnen vijf jaar na eerdere WAO schatting’ en dat sinds 1 september 2013 sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. De arts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante per 1 september 2009 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2013. Een arbeidsdeskundige heeft daarna op berekend dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 36,26%.

1.3.

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het Uwv vervolgens, onder toepassing van artikel 43a van de WAO, aan appellante met ingang van 4 december 2012 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 4 juni 2013 verlaagd, omdat de loondervingsuitkering van appellant, gebaseerd op haar vroegere loon, per die datum was beëindigd.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen beide besluiten van 15 mei 2014 heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 liggen een rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 november 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 januari 2015 ten grondslag. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.

1.5.

Bij besluit van 9 september 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante alsnog gegrond verklaard, in zoverre dat de WAO-uitkering van appellante wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Aan bestreden besluit 2 liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 augustus 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 augustus 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk, en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Zij heeft gesteld dat zij 100% arbeidsongeschikt is en daarbij van belang is dat de FMF niet al haar klachten kan verklaren en dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat zij een verstandelijke handicap heeft. In hoger beroep heeft appellante verder gesteld dat, hoewel zij 1 augustus 2005 als de ingangsdatum van haar WAO-uitkering niet kan onderbouwen, deze in ieder geval op 4 november 2008 moet ingaan, omdat zij zich toen ziek heeft gemeld.

3.2.

Bij besluit van 1 maart 2017 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv onder intrekking van bestreden besluit 2 de WAO-uitkering toegekend met ingang van één jaar voorafgaand aan het op 25 juli 2013 ontvangen wijzigingsformulier, zijnde 25 juli 2012, en bepaald dat uitkering van appellante wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

3.3.

Bij verweerschrift van 3 maart 2017 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat, voor zover appellante meent dat het Uwv moet terugkomen van het besluit van 27 maart 2007, zij een verzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten indienen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat ook geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO, zodat de uitkering niet eerder dan één jaar voor de dag van aanvraag in kan gaan. Volgens het Uwv worden in de gedingstukken geen omstandigheden aangetroffen waardoor appellante mede als gevolg van haar medische situatie, het aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van met name haar psychische problematiek heeft ontbroken en zij om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag in te dienen. Wat betreft de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen, waarbij is gewezen op het gebrek aan onderbouwing van het standpunt van appellante.

3.4.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het een dringende reden is, dan wel een nieuw feit dat niet eerder bekend was, dat niet eerder duidelijk was dat appellante licht verstandelijk gehandicapt is. Haar kan in alle redelijkheid niet worden verweten dat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend, omdat het Uwv zelf pas in 2013 heeft vastgesteld dat diverse verzuimperiodes in het verleden zijn gerelateerd aan één en dezelfde ziekteoorzaak. Appellante heeft erop gewezen dat ook niet-medici onjuistheden in bevindingen van verzekeringsartsen kunnen aantonen. Zij heeft gesteld dat de vraag of sprake is van een bijzonder geval niet aan de orde is, omdat zij zich al op 4 november 2008 heeft ziekgemeld.

3.5.

Het Uwv heeft te kennen gegeven het standpunt het uit het verweerschrift van 3 maart 2017 te handhaven. Daarbij heeft het Uwv gesteld dat van een ziekmelding op 4 november 2008 niets bekend is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu vastgesteld moet worden dat het Uwv het door de rechtbank beoordeelde bestreden besluit 2 niet langer handhaaft, kan ook de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 2 zal niet‑ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Het Uwv is met bestreden besluit 3 niet geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant, zodat dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling wordt betrokken.

4.3.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de WAO gaat een arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag met ingang waarvan aan de vereisten voor het recht op toekenning wordt voldaan. Op grond van het tweede lid van deze bepaling gaat de uitkering echter niet vroeger in dan één jaar voor de dag van aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 17 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7819) is sprake van een bijzonder geval indien de betrokkene ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dat zal onder meer het geval zijn, indien de verzekerde – mede als gevolg van zijn medische situatie – het aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn met name psychische problematiek heeft ontbroken en om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag in te dienen, tenzij van een zeer nauw bij de verzekerde betrokken persoon kon en mocht worden verwacht dat die bij het Uwv melding zou hebben gemaakt van bij de betrokkene toegenomen arbeidsongeschiktheid dan wel om die reden een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hebben ingediend.

4.5.

Geoordeeld wordt dat zich ten aanzien van appellante geen bijzonder geval voordoet als hiervoor bedoeld. Uit de beschikbare medische gegevens is niet gebleken dat bij appellante sprake is geweest van psychisch onvermogen om, al dan niet met hulp, eerder een aanvraag in te dienen. Uit de brief van 20 oktober 2015 van psychiater E.M. Knijff is dit evenmin af te leiden. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft besloten dat de ingangsdatum van de WAO‑uitkering van appellante één jaar voor de indiening van haar aanvraag is, namelijk
25 juli 2012.

4.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar en overtuigend uiteengezet dat er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan vastgelegd in de FML van
5 december 2013. De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met de lichamelijke klachten voortkomend uit de FMF. Daarbij heeft hij aangenomen dat appellante gedurende een aanval met buikpijn, ontsteking en koorts, die ongeveer 48 uur duurt, niet belastbaar is. Dat in aanmerking nemende zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de lichamelijke beperkingen van appellante zijn onderschat. Dit oordeel geldt ook voor de psychische beperkingen. In de FML van 5 december 2013 zijn verschillende beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Onder andere is appellante aangewezen geacht op vaste, bekende werkwijzen, op een voorspelbare werksituatie, op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is. De enkele omstandigheid dat inmiddels een lichte verstandelijke handicap bij appellante is vastgesteld, maakt niet dat haar beperkingen hiermee zijn onderschat.

4.7.

Met het rapport van 8 februari 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de eerder aan de beoordeling per 4 december 2012 ten grondslag gelegde functies ook per 25 juli 2012 te duiden waren.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond moet worden verklaard.

5. Gelet op 4.1 is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. De kosten worden begroot op in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 9 september 2015 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 maart 2017 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2004,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
    € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B. Dogan

NW