Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
17/3371 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Onduidelijke woonsituatie. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3371 PW

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 april 2017, 16/3193 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Namens appellant is

mr. Brouwer verschenen. Het dagelijks bestuur is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2 september 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande op het adres [adres 1] . Bij besluit van 23 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2016, heeft het dagelijks bestuur de bijstand met ingang van 16 december 2015 ingetrokken op de grond dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet de informatie heeft verstrekt die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen.

1.2.

Appellant heeft op 4 januari 2016 bij de gemeente Assen aangifte gedaan van zijn verhuizing naar het adres [adres 2] en tevens bijstand aangevraagd. In het kader van deze aanvraag hebben medewerkers van Werkplein Baanzicht op 8 januari 2016 een huisbezoek afgelegd. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur de aanvraag bij besluit van 15 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2016, afgewezen op de grond dat uit het huisbezoek niet aannemelijk is geworden dat appellant op het adres [adres 2] woont. In hoger beroep zijn de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag in stand gebleven (ECLI:NL:CRVB:2017:1384).

1.3.

Appellant heeft op 22 januari 2016 opnieuw bijstand aangevraagd. Appellant heeft op het aanvraagformulier ingevuld dat hij woont op het adres [adres 2] (opgegeven adres).

1.4.

Bij brieven van 4, 12 en 19 februari 2016 heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht gegevens te verstrekken over zijn woonsituatie, waaronder een huurovereenkomst en bewijsstukken van betaling van huur en borg voor het opgegeven adres.

1.5.

Bij besluit van 9 maart 2016 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd.

1.6.

Appellant heeft van 10 maart 2016 tot 24 maart 2016 en van 9 april 2016 tot 9 mei 2016 in detentie verbleven. Op 8 april 2016 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd op het opgegeven adres. In het kader van deze aanvraag heeft op 22 april 2016 een huisbezoek plaatsgevonden. De aanvraag is afgewezen op de grond dat appellant in detentie verbleef. Op 9 mei 2016 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd op het opgegeven adres, waarna op 25 mei 2016 een huisbezoek is afgelegd. Daarna heeft het dagelijks bestuur aan appellant met ingang van 9 mei 2016 bijstand toegekend.

1.7.

Bij besluit van 25 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2016 gegrond verklaard en de aanvraag van 22 januari 2016 alsnog afgewezen, op de inhoudelijk grond dat de woonsituatie van appellant in de perioden van 22 januari 2016 tot 10 maart 2016 en van 24 maart 2016 tot 9 april 2016 volstrekt onduidelijk was.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen perioden lopen van 22 januari 2016 tot 10 maart 2016 en van

24 maart 2016 tot 9 april 2016.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft de door het dagelijks bestuur gevraagde gegevens niet verstrekt. Hij heeft geen bewijs van huurbetalingen overgelegd. De door appellant in bezwaar overgelegde huurovereenkomst ziet op het adres [adres 1] en niet op het adres [adres 2] . Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij op het opgegeven adres verbleef. Nu appellant de onduidelijkheid over zijn woonsituatie niet heeft weggenomen, was het recht op bijstand in de te beoordelen perioden niet vast te stellen. Dat de woning van appellant op 25 mei 2016 wel volledig was ingericht doet niet af aan het feit dat het dagelijks bestuur in de hier te beoordelen perioden niet heeft kunnen vaststellen dat appellant zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) J. Tuit

IJ