Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
16/6425 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Onroerend goed in Turkije van partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6425 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2016, 15/8910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 10 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Şeker hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 16/6431 PW en 17/2175 PW plaatsgehad op 29 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Şeker. Als tolk is verschenen B. Epozdemir. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. In de zaken 16/6431 PW en 17/2175 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met [naam] ( [X] ) in de periode van 14 november 2003 tot en met

13 december 2004 en van 25 december 2004 tot en met 4 januari 2005 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand, naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een tip dat [X] onroerende zaken bezit in Turkije en een pensioen ontvangt van het Turkse verzekeringsorgaan SGK, heeft een medewerker het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara in opdracht van het college en met tussenkomst van het Internationaal Fraudebureau (IBF) een onderzoek ingesteld naar bezit van onroerende zaken van [X] in Turkije. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage vermogensonderzoek Turkije van 15 december 2014. Uit het rapport blijkt dat bij de afdeling onroerend goed belasting van de deelgemeente [deelgemeente] van de stad [stad] (afdeling OZB) vier woningen op naam van [X] staan geregistreerd. Het gaat om een appartement in de wijk [wijk 1] (verworven in 2011), een woning met tuin in de wijk [wijk 2] (verworven in 2000) en twee woningen in de wijk [wijk 3] (verworven in 2001). De twee meest waardevolle woningen zijn door een lokale makelaar in december 2014 getaxeerd op een waarde van in totaal € 208.000,-. Dit betreft het appartement in de wijk [wijk 1] en de woning met tuin in de wijk [wijk 2] . De twee woningen in de wijk [wijk 3] zijn verkrot. Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat [X] sinds 15 mei 1992 een pensioen van het Turkse verzekeringsorgaan SGK ontvangt. Per oktober 2014 bedraagt dit pensioen omgerekend € 292,- per maand.

1.3.

[X] is op 25 februari 2015 gehoord door een medewerker van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag, in aanwezigheid van appellant, die zij volgens de op schrift gestelde verklaring had meegenomen omdat zij geen Nederlands spreekt. Y heeft als tolk gefungeerd. Op 18 maart 2015 is appellant gehoord.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluiten van 17 april 2015, voor zover hier van belang na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

26 oktober 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 14 november 2003 tot en met 4 januari 2005 (periode in geding) en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van in totaal € 5.263,23 van appellant terug te vorderen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat [X] in 2000, 2001 en 2011 de beschikking kreeg over onroerende zaken in Turkije en dat zij sinds 1992 een uitkering ontving via de Turkse instantie SGK. Hiervan heeft zij, noch appellant melding gemaakt bij het college, waardoor het recht op bijstand in de periode in geding niet kan worden vastgesteld. De over de periode in geding ten onrechte aan [X] en appellant gezamenlijk betaalde bijstand wordt mede van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 maart 2015 en 17 april 2015, voor zover van belang na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2015, heeft het college de bijstand van [X] ingetrokken over de periode van 14 november 2003 tot en met 28 februari 2015 en met ingang van 1 maart 2015 en de kosten van bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 134.572,67. Bij uitspraak van 1 september 2016 heeft de rechtbank het beroep van [X] tegen het besluit van 12 oktober 2015 ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van heden, nrs. 16/6431 PW en 17/2175 PW, bevestigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Appellant voert aan dat het onder 1.2 genoemde onderzoek, resulterend in de rapportage van 15 december 2014, onzorgvuldig is en de resultaten daarvan daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Daartoe voert appellant aan dat de onderzoeksresultaten niet verifieerbaar zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.1.

Uit de rapportage van 15 december 2014 volgt op welke wijze het onderzoek in Turkije is verricht en de rapportage bevat als bijlagen de concrete gegevens uit het register van de afdeling OZB. De conclusies van het onderzoek zijn daarom verifieerbaar. Dat de naam van de medewerker van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken die het onderzoek heeft verricht niet in de rapportage is vermeld, doet aan de verifieerbaarheid van de onderzoeksbevindingen niet af. Het buurtonderzoek dat deze medewerker op 9 december 2014 bij het appartement in de wijk [wijk 1] heeft verricht is niet bedoeld om de eigendom te verifiëren, maar om ter plaatse het juiste adres te verifiëren, zo blijkt uit de door het college gevraagde reactie van de Sociaal Attaché, en dit is ook niet als zodanig door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegd.

4.3.

Voorts betwist appellant dat hij en/of [X] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellant voert daarvoor aan dat uit de door [X] overgelegde documenten van het kadaster van de deelgemeente [deelgemeente] blijkt dat zij in de periode 2001 tot en met 2016 niet beschikte over onroerende zaken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.1.

In de onder 1.5 bedoelde uitspraak van heden in het hoger beroep van [X] heeft de Raad als volgt geoordeeld en overwogen. Gelet op de registratie van onroerende zaken op naam van [X] bij de afdeling OZB, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover [X] daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. [X] is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. De door [X] overgelegde documenten zijn daartoe niet toereikend. De Raad ziet geen aanleiding om in het hoger beroep van appellant tot een ander oordeel te komen dan in het hoger beroep van [X] .

4.4.

Met wat onder 4.3.1 is overwogen, is gegeven dat [X] en appellant in de periode in geding de op hen rustende inlichtingverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van op naam van [X] geregistreerde onroerende zaken waarover zij beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Om die reden behoeft de beroepsgrond die ziet op het beschikken over een Turks pensioen, evenals de beroepsgrond dat appellant en [X] niet aan hun verklaringen kunnen worden gehouden, geen bespreking meer.

4.5.

Uit 4.2.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

RH