Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
16-5612 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen werkzaamheden als dj. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5612 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 juli 2016, 16/655 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 3 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R. Ali hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 4 april 2018 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 18 augustus 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een IB-signaal van het inlichtingenbureau (in oktober 2013) dat appellant inkomsten uit arbeid en een eigen bedrijf heeft gehad waarvan hij geen melding heeft gedaan aan het college, heeft het college bij besluit van 10 juli 2014 (besluit 1) het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2012 opgeschort en appellant verzocht om uiterlijk

20 juli 2014 nadere gegevens te overleggen, waaronder de belastingaangifte over 2013, de balans en winst- en verliesrekening over 2013, al zijn inkomsten uit zijn eigen bedrijf [naam bedrijf] met ingang van 21 maart 2013 (datum inschrijving Kamer van Koophandel) en loonstroken van [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 5].

1.3.

Bij besluit van 22 juli 2014 (besluit 2) heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 1 januari 2012 en de over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.812,63 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Door een schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 22 juli 2014 (besluit 3) heeft het college het terug te vorderen bedrag verhoogd met betaalde belastingen en premies van € 9.161,74. Het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 25.974,37.

1.5.

Bij besluit van 17 december 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant inkomsten heeft gehad uit arbeid bij [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 5] en daarnaast een eigen bedrijf had waarvoor hij werkzaamheden als dj heeft verricht en daaruit inkomsten heeft gehad. Appellant heeft het college hierover niet dan wel onvolledig geïnformeerd. Hij heeft geen administratie bijgehouden en onvoldoende inzicht gegeven in zijn inkomsten uit arbeid en als zelfstandige. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. Daartoe heeft hij nadere (inkomens)gegevens overgelegd over zijn werkzaamheden als dj.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd.

4.2.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 4 april 2018 nadere stukken ingezonden. Deze stukken zijn op zichzelf buiten de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn ingediend. In aanmerking genomen dat het college hierop ter zitting alsnog naar behoren heeft kunnen reageren, zoals door het college is meegedeeld, ziet de Raad geen beletselen om die stukken bij zijn oordeelsvorming te betrekken.

4.3.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2012 tot en met 22 juli 2014.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant heeft nagelaten het college te informeren dat hij bij diverse werkgevers en als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft gehad. Evenmin is in geschil dat hij daarmee de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting door de betrokkene het onderzoek naar de door hem achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag biedt voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben. Deze vaststelling gebeurt door middel van een op vaststaande feiten en omstandigheden gebaseerde en beredeneerde benadering of schatting, waarbij het eventuele nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, wegens de schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten mag worden.

4.7.

Tussen partijen is in hoger beroep alleen nog in geschil het antwoord op de vraag of het college met de overgelegde gegevens met betrekking tot de werkzaamheden als dj over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 het recht op (aanvullende) bijstand, al dan niet schattenderwijs, kan vaststellen. Ter zitting van de Raad heeft appellant erkend dat het recht op bijstand over het jaar 2012 niet kan worden vastgesteld, omdat over het jaar 2012 de gegevens ontbreken en dat dit voor zijn rekening en risico komt.

4.8.

Anders dan appellant heeft betoogd kan het recht op bijstand niet aan de hand van de door hem overgelegde facturen en factuuroverzichten worden vastgesteld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de factuuroverzichten volledige overzichten betreffen en heeft daarnaast geen consistente verklaringen gegeven over de stukken die hij heeft overgelegd. In beroep heeft appellant per brief van 4 juli 2016 nadere stukken overgelegd met betrekking tot zijn werkzaamheden als dj en daarover te kennen gegeven dat dit alle facturen zijn die voortkomen uit zijn werkzaamheden als dj in de te beoordelen periode. Echter, in hoger beroep heeft appellant meer en deels andere facturen overgelegd dan in beroep. Daarnaast geven de facturen geen tijdsbesteding voor het gefactureerde bedrag aan en ontbreekt grotendeels de relatie tussen de facturen en de zakelijke bankrekening van appellant. Omdat de bankafschriften van de privérekening van appellant niet zijn overgelegd, kan niet worden nagegaan of op deze rekening misschien betalingen zijn gedaan die in relatie staan tot de facturen. Daarbij stroken de factuuroverzichten en de facturen niet geheel met elkaar en heeft appellant van het jaar 2014 slechts twee facturen overgelegd. Ook ontbreken facturen die wel in de factuuroverzichten staan vermeld.

4.9.

Gelet op 4.8 heeft appellant onvoldoende verifieerbare gegevens overgelegd over de omvang van zijn werkzaamheden als dj in de te beoordelen periode, waardoor het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kan worden vastgesteld. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.10.

Uit wat in 4.7 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C.A.E. Bon

ew