Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
17/4951 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek schadevergoeding in verband met onrechtmatig besluit is afgewezen. Niet verstrekken van bijzondere bijstand voor griffierecht in een andere procedure. Betalen griffierecht behoort tot verantwoordelijkheid van de indiener van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4951 PW

Datum uitspraak: 3 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 januari 2017, 16/4936 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft het hoger beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Raad.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Bos en M. Schuurman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van het griffierecht voor onder meer de door hem aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank Den Haag met zaaknummer 15/5159 (procedure). Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 18 augustus 2015 buiten behandeling gesteld. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 25 september 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen in de zin dat het college is opgedragen het door appellant verschuldigde griffierecht in onder andere de procedure bij wijze van voorschot ter hoogte van € 167,- per ommegaande aan hem te betalen. Het college heeft op 8 oktober 2015 dit bedrag aan appellant uitbetaald. Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor de procedure toegekend.

1.2.

Appellant kon, nadat de griffier van de rechtbank zijn verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht van 2 september 2015 had afgewezen, uiterlijk op 30 september 2015 het griffierecht voldoen. Bij uitspraak van 3 februari 2016 heeft de rechtbank het beroep in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht wegens financiële omstandigheden is afgewezen en dat niet is gebleken dat appellant niet in staat was het verschuldigde griffierecht te voldoen. Niet gebleken is dat de niet tijdige betaling van het griffierecht appellant niet is toe te rekenen. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen deze uitspraak.

1.3.

Bij brief van 16 februari 2016 heeft appellant het college verzocht het geldelijke belang van de procedure, te weten de maximaal te verbeuren dwangsom van € 1.260,-, aan hem te vergoeden. Aan dit verzoek heeft appellant ten grondslag gelegd dat zijn beroep

niet-ontvankelijk is verklaard door een verzuim van het college. Op 11 april 2016 heeft appellant dit verzoek herhaald. Bij besluit van 28 april 2016 heeft het college dit verzoek afgewezen.

1.4.

Appellant heeft de rechtbank verzocht het college te veroordelen tot betaling van € 1.260,-, met een dwangsom voor iedere dag dat het college verzuimt hieraan uitvoering

te geven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, daargelaten of aan andere vereisten voor schadevergoeding is voldaan, appellant niet heeft aangetoond dat sprake is van schade. Het beroepschrift in de procedure die appellant had willen voeren, kan niet worden aangemerkt als bewijs van de geleden schade. Hieruit volgt niet dat appellant daadwerkelijk een bedrag van € 1.260,- aan verbeurde dwangsommen zou hebben ontvangen. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende causaal verband tussen het volgens appellant te laat uitkeren van de bijzondere bijstand en de niet-ontvankelijkverklaring, nu appellant niet heeft aangetoond dat het voor hem onmogelijk was om het verschuldigde griffierecht tijdig te voldoen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft voor doorzending door de Afdeling aldaar verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het voor de behandeling van zijn hoger beroep verschuldigde griffierecht. Omdat appellant voldoet aan de in de uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) genoemde voorwaarden, wordt hem de verzochte vrijstelling verleend.

4.2.

Bij een verzoek om vergoeding van schade als hier aan de orde zoekt de Raad aansluiting

bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat

de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met

dat besluit dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en

de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie de uitspraak van

28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.3.

Het college heeft bij het besluit van 19 oktober 2015 aan appellant alsnog bijzondere bijstand toegekend. Hoewel het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het besluit tot buitenbehandelingstelling van 18 augustus 2015 niet onrechtmatig is, is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding waren voor een toekennend besluit. In de rapportage van 8 oktober 2015 die aan de toekenning ten grondslag ligt, wordt alleen de uitspraak van de voorzieningenrechter genoemd. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat naar voorlopig oordeel het besluit van 18 augustus 2015 niet in stand kan blijven, omdat appellant de vereiste gegevens heeft verstrekt. Ter zitting is vastgesteld dat het college geen beslissing op bezwaar heeft genomen. Bij het besluit van 19 oktober 2015 heeft het college kennelijk het oordeel van de voorzieningenrechter gevolgd. Het moet er daarom voor gehouden worden dat het besluit tot buitenbehandelingstelling van 18 augustus 2015 onrechtmatig is.

4.4.

De door appellant gestelde schade ten gevolge van dit onrechtmatige besluit, zoals omschreven onder 1.3 en door de Raad opgevat als het verlies van een kans op ontvangst van een dwangsombedrag, kan echter in de omstandigheden van dit geval niet aan het college worden toegerekend, omdat deze schade in overwegende mate het gevolg is van omstandigheden die behoren tot de risicosfeer van appellant.

4.5.

Indien beroep wordt ingediend, staat vast dat de indiener griffierecht is verschuldigd. De tijdige betaling van het griffierecht aan de griffier van de rechterlijke instantie behoort in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van de indiener van het beroepschrift, in dit geval appellant. Tot die verantwoordelijkheid behoort ook het gebruikmaken van middelen die de indiener van het beroep gegeven zijn in geval van betalingsproblemen. Appellant had de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter kunnen verzoeken om een nader uitstel van betaling van het griffierecht. Hij wist immers op grond van die uitspraak dat hij het bedrag zeer spoedig van het college zou ontvangen. Niet gebleken is dat appellant zich na 2 september 2015 opnieuw tot de griffier heeft gewend onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2015, die op diezelfde dag is verzonden. Appellant had voorts tegen de uitspraak houdende niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep verzet kunnen doen. Overigens had appellant ook bij de griffier wegens betalingsonmacht kunnen verzoeken om vrijstelling dan wel vermindering van de betaling van het griffierecht. Onder die omstandigheden bestaat voor toerekening als hiervoor bedoeld geen grond.

4.6.

Gelet op wat in 4.4 en 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.C. de Wit

GdJ