Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
17/4315 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweemaal vergoeden van verschuldigde dwangsom. Vereiste elementen in gebrekestelling. Er is nog niet beslist op aanvragen. Dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag te laat beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4315 PW, 17/4316 PW

Datum uitspraak: 3 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 mei 2017, 16/1796 en 16/2102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman en P. Bos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft bij brieven van 26 november 2015 aanvragen om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend voor de eigen bijdrage van € 196,- in de kosten van rechtsbijstand (advocaatkosten) en voor de kosten van griffierecht ten bedrage van

€ 248,-. Appellant heeft deze brieven gericht aan de afdeling sozawe van de gemeente Wassenaar, waar zij blijkens het daarop geplaatste stempel op 30 november 2015 zijn ingekomen.

1.2.

Bij brieven van 5 januari 2016 heeft appellant het college gewezen op zijn aanvragen van 26 november 2015 en dringend verzocht het gevraagde toe te kennen.

1.3.

Bij brief van 26 januari 2016, door hem op dezelfde datum ingediend, heeft appellant het college, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “(..) Ondanks mijn dringend verzoek van 05 januari jl. heeft u tot op heden nog geen besluit genomen op mijn aanvraag bijzondere bijstand van 26 november 2015, voor kosten eigenbijdrage voor het verlenen van de Rechtsbijstand ten hoogte van € 196,00 (bijlage). Hierbij stel ik u daarom in gebreke; En dit ten behoeve van een te verbeuren dwangsom.” Bovenaan de brief staat: “Betreft: ingebrekestelling”. Bij brief van dezelfde datum, eveneens op die datum ingediend, heeft appellant het college hetzelfde geschreven over zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht met vermelding van de voor die aanvraag relevante gegevens.

1.4.

Bij brief van 18 februari 2016 heeft het college appellant naar aanleiding van zijn brieven van 5 januari 2016 meegedeeld dat de door hem genoemde aanvragen van

26 november 2015 voor de kosten van griffierecht en de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand nooit zijn ontvangen. Van toekenning kan daarom geen sprake zijn, aldus het college. Het college heeft appellant te kennen gegeven dat hij een aanvraag zal moeten indienen als hij bijzondere bijstand in de genoemde kosten wil ontvangen. Bij aangetekend verzonden brief van 1 maart 2016 heeft het college deze mededelingen herhaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat de brieven van

26 november 2015 als aanvragen om bijzondere bijstand moeten worden aangemerkt. Appellant heeft deze aanvragen ingediend bij de gemeente Wassenaar, ondanks het verzoek om correspondentie te richten aan het postadres van Leidschendam-Voorburg dat op grond van een samenwerkingsverband ook voor de gemeente Wassenaar de PW uitvoert. Appellant kan echter niet worden tegengeworpen dat Wassenaar de aanvragen niet heeft doorgezonden naar het juiste loket, in dit geval Leidschendam-Voorburg. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de brief van 18 februari 2016, anders dan het college heeft betoogd, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De daarin vervatte mededeling is niet op enig rechtsgevolg gericht. Dit geldt ook voor de gelijkluidende brief van 1 maart 2016. Op het moment van ontvangst van de ingebrekestellingen van

26 januari 2016 was de beslistermijn van acht weken met één dag verstreken. De rechtbank is echter van oordeel dat de door appellant ingediende ingebrekestellingen niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Appellant heeft niet het standpunt ingenomen dat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Ook valt uit de ingebrekestellingen niet af te leiden dat appellant het college heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op zijn aanvragen te nemen. Nu geen sprake is van rechtsgeldige ingebrekestellingen, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2300.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat voor het college met de ingebrekestellingen duidelijk was om welke aanvragen het ging en dat het in gebreke was een besluit te nemen op deze aanvragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant het college op de juiste wijze in gebreke heeft gesteld alvorens hij beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Na de uitspraak van de rechtbank is niet meer in geschil dat appellant bij brieven van 26 november 2015, ontvangen op 30 november 2015, aanvragen heeft ingediend en dat het college daar ten tijde van de aangevallen uitspraak nog niet op had beslist.

4.2.1.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven. Nu de PW geen bepaling kent inzake de termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, geldt als redelijke beslistermijn een periode van acht weken.

4.2.2.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4.2.3.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bevatten de ingebrekestellingen de vereiste elementen, opgesomd in het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2300, van welke elementen ook de Raad uitgaat (zie de uitspraak van

4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2682). Voldoende duidelijk is welke aanvragen het betrof, aangezien appellant de datum en het onderwerp heeft genoemd, met het bedrag waar het om ging. Dat appellant zich op het standpunt stelde dat het college niet tijdig op de aanvragen had beslist, blijkt uit de zinsnede: “ Ondanks mijn dringend verzoek (..) heeft u tot op heden nog geen besluit genomen op mijn aanvraag (..)”. Uit het onderwerp

- “ingebrekestelling” - en uit de zin: “Hierbij stel ik u daarom in gebreke” is duidelijk dat appellant erop aandrong dat alsnog een beslissing zou worden genomen. Hieraan doet niet af dat appellant in de volgende zin heeft geschreven dat dit was ten behoeve van een te verbeuren dwangsom. Uit het onderwerp en de tekst van de brieven is kenbaar dat appellant het college maande om alsnog een besluit te nemen. Het college heeft erop gewezen dat appellant in de procedure ten behoeve waarvan hij bijzondere bijstand voor het griffierecht verzocht niet tijdig gronden heeft ingediend, waardoor zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Het college wordt niet gevolgd in zijn betoog dat hieruit kan worden geconcludeerd dat appellant niet daadwerkelijk een beslissing op zijn aanvraag wenste en dat dit moet worden betrokken bij de beoordeling. De ingebrekestelling moet op zichzelf worden beschouwd.

4.4.

Gelet op 4.3 en in aanmerking genomen dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb, heeft de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen van 26 november 2015 ten onrechte

niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen.

4.5.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen inhoudelijk beoordelen. Vaststaat dat het college heeft verzuimd om binnen de daartoe gestelde termijn op de aanvragen te beslissen. De beroepen tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen van 26 november 2015 zijn dus gegrond. De Raad zal deze besluiten vernietigen en voorts met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de door het college ingevolge artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurde dwangsom vaststellen.

Aangezien in ieder geval ten tijde van de aangevallen uitspraak nog niet was beslist op de aanvragen en gelet daarop tussen de ingebrekestellingen en eventuele beslissingen op de aanvragen meer dan 42 dagen zijn gelegen, heeft het college een maximale dwangsom verbeurd, te weten € 1.260,-. De Raad zal deze dwangsom tweemaal toekennen, nu het niet om samenhangende zaken gaat.

4.6.

Namens het college is ter zitting meegedeeld dat nagegaan moest worden of inmiddels op de aanvragen was beslist. Voor zover het college nog niet op de aanvragen heeft beslist zal de Raad, gelet op het verzoek daartoe van appellant, het college opdracht geven om dit alsnog te doen binnen een termijn van zes weken na de verzending van de uitspraak. Voor deze termijnstelling acht de Raad van belang dat het college wellicht nog stukken moet opvragen bij appellant. Ook zal de Raad met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat het college een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor bedoelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- bedraagt, met een maximum van € 15.000,-.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Gelet op de verleende vrijstelling bestaat voor vergoeding van het griffierecht in beroep en hoger beroep geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart de beroepen tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een

besluit op de aanvragen van 26 november 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt deze besluiten;

  • -

    stelt de hoogte van de door het college aan appellant verschuldigde dwangsom vast op

€ 2.520,-;

- draagt het college op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een beslissing

op de aanvragen van appellant te nemen voor zover op die aanvragen nog niet is beslist;

- bepaalt dat het college een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor

bedoelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- bedraagt, met

een maximum van € 15.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.C. de Wit

GdJ