Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
17/1541 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek terugkomen op intrekking en terugvordering in verband met het oordeel van de belastingdienst dat ziet op een andere periode van hennepteelt. Het geven van voordeel van de twijfel door de belastingdienst betekent niet dat het college is uitgegaan van de onjuiste periode. Strikt uitleggen van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in artikel 4:6 lid 2 brengt geen schending van artikel 6 EVRM met zich.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1541 PW

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 januari 2017, 16/4483 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.J. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 10 februari 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 28 september 2011 tot en met 14 maart 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.140,68 teruggevorderd op de grond dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel ingesteld.

1.3.

Bij brief van 16 december 2013 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 31 mei 2012. Appellant heeft daarbij vermeld dat de politierechter bij vonnis van

1 oktober 2013 de exploitatie van de hennepkwekerij over een andere periode, namelijk van 13 februari 2012 tot en met 13 maart 2012, bewezen heeft verklaard.

1.4.

Bij besluit van 18 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juni 2014, heeft het college dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.5.

De Belastingdienst heeft bij brief van 15 oktober 2015 aan appellant meegedeeld dat aan zijn bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet over de jaren 2011 en 2012 tegemoet wordt gekomen. De Belastingdienst geeft appellant het voordeel van de twijfel, omdat de Belastingdienst, de officier van justitie en de politierechter van drie verschillende perioden van exploitatie van de hennepkwekerij zijn uitgegaan.

1.6.

Bij brief van 11 november 2015 heeft appellant, met verwijzing naar het vonnis van de politierechter van 1 oktober 2013 en de brief van de Belastingdienst van 15 oktober 2015, het college opnieuw verzocht om terug te komen van het besluit van 31 mei 2012.

1.7.

Bij besluit van 19 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het in 1.6 genoemde verzoek van appellant strekt ertoe dat het college terugkomt van het besluit van 31 mei 2012. Het college heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.2.

Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd.

4.3.

. Ter ondersteuning van zijn in 1.6 genoemde verzoek heeft appellant aangevoerd dat nu behalve de politierechter, ook de Belastingdienst is uitgegaan van de exploitatie van een hennepkwekerij over de periode van 13 februari 2012 tot en met 13 maart 2012. Dit is weliswaar een nieuw gegeven, maar het is geen feit dat of omstandigheid die noopt tot een terugkomen van het besluit van 31 mei 2012. Uit de brief van de Belastingdienst van

15 oktober 2015 blijkt, anders dan appellant stelt, niet dat het college in het besluit van

31 mei 2012 is uitgegaan van een onjuiste periode waarin appellant een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. De Belastingdienst heeft appellant immers alleen het voordeel van de twijfel gegeven.

4.4.

De grond dat de zeer strikte uitleg die de bestuursrechter geeft aan artikel 4:6 van de Awb zó nadelig is voor de burger dat geen sprake is van een eerlijke procedure waarin een volledig, inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt, slaagt niet. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (uitspraak van 31 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1729) heeft de wetgever met artikel 4:6 van de Awb de burger, die niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de hem ten dienste staande rechtsmiddelen, de mogelijkheid gegeven om door het inbrengen van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) alsnog een heroverweging van het bestreden besluit te bewerkstelligen. Dat naar vaste rechtspraak (uitspraak van 6 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7912) het begrip nova strikt wordt uitgelegd is geen omstandigheid die maakt dat de procedure bij de rechter niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en op grond van artikel 14, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te stellen eisen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) J. Tuit

IJ