Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
17/3047 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte is aangenomen dat te laat bezwaar is gemaakt. Het besluit tot intrekking en terugvordering is verweven aan het besluit tot opschorten en had dus niet alleen aan de bewindvoerder maar ook aan de gemachtigde moeten worden gestuurd. Geen discriminatoir onderzoek. Dat van fraudemeldingen geen documenten meer voor handen zijn betekent niet dat er een andere aanleiding voor het fraudeonderzoek was. Er is geen door buitendienstmedewerkers verkregen onrechtmatig bewijs. Er is niet aannemelijk gemaakt dat er door schulden geen overschrijding van de vermogensgrens was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3047 PW, 17/3048 PW, 17/7624 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2017, 16/3646 en 16/4571 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (appellant)

[betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2), beiden te [woonplaats]

Datum uitspraak: 10 juli 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. A. Sahin, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 6 oktober 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit). Namens betrokkenen heeft mr. Sahin bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het nader besluit. De rechtbank heeft het beroep doorgezonden aan de Raad.

Beide partijen hebben gereageerd op vragen van de Raad en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C. Vlaskamp. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. Sahin. Als tolk is verschenen W. Woning.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkenen ontvingen bijstand over de periode van 26 november 2007 tot en met 28 februari 2010 en vanaf 1 juli 2010, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Op 20 oktober 2011 zijn betrokkenen opgenomen in de schuldsanering. Bij twee afzonderlijke beschikkingen van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank Arnhem, sector kanton, de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkenen onder bewind gesteld en C.G.M. Cillessen-Wijers als bewindvoerder benoemt (bewindvoerder).

1.2.

Op 5 augustus 2014 is [X.], sociaal rechercheur van Bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen (sociaal rechercheur), een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan betrokkenen verleende bijstand. In het naar aanleiding van dit onderzoek opgemaakte rapport van 14 maart 2016 heeft de sociaal rechercheur als aanleiding voor het onderzoek vermeld dat een fraudemelding was binnengekomen van de Afdeling Inkomen, inhoudende dat betrokkenen twee winkelpanden bezitten in [K.], Turkije, dat betrokkenen deze panden verhuren en dat betrokkene 1 werkt bij [naam pizzeria] in [woonplaats]. Voorts heeft de sociaal rechercheur vermeld dat op 6 november 2014 en 10 augustus 2015 twee nieuwe fraudemeldingen zijn binnengekomen. De eerste betrof een telefonische anonieme melding dat betrokkene 2 voor haar schoonmoeder zorgt en hiervoor € 1.000,- aan gelden uit een pgb ontvangt. De tweede hield in dat betrokkene 1 op dat moment met betrokkene 2 in Turkije was in verband met de verkoop van de woning van zijn ouders en dat de winkelpanden van betrokkenen zijn verkocht of op naam van iemand anders zijn gezet.

1.2.1.

In het kader van het rechtmatigheidsonderzoek heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek gedaan, registers geraadpleegd en op 19 augustus 2014 het Internationaal Bureau Fraude-Informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) verzocht onderzoek te doen naar vermogen van betrokkenen in Turkije. Dit onderzoek is uitgevoerd door een buitendienstmedewerker van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (buitendienstmedewerker). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 oktober 2014. In dit rapport staat het volgende. De buitendienstmedewerker heeft zich bij alle gesprekken tijdens het onderzoek voorgesteld als een medewerker van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade en het doel van het onderzoek uitgelegd. Op 28 oktober 2014 heeft de buitendienstmedewerker de afdelingen onroerende zaak belasting (OZB) van de deelgemeenten [deelgemeente 1] en [deelgemeente 2] van de stad [K.] bezocht. De afdeling OZB van de deelgemeente [deelgemeente 3] en de kadasters van de genoemde deelgemeenten heeft de buitendienstmedewerker niet bezocht, omdat deze instanties geen medewerking verlenen. Uit het onderzoek bij de afdeling OZB bij de deelgemeente [deelgemeente 1] kwam naar voren dat betrokkene 2 belastingaangifte heeft ingediend voor twee werkplaatsen en voor een appartement. De werkplaatsen en het appartement bevinden zich in hetzelfde appartementencomplex in de wijk [Y.]. Volgens de belastingaangiften heeft betrokkene 2 sinds 22 november 2007 het volledige bezit van deze (drie) onroerende zaken. Op dezelfde dag heeft de buitendienstmedewerker een buurtonderzoek gehouden. Een buurman heeft verklaard dat hij betrokkenen kent, dat het klopt dat zij een appartement en werkplaatsen bezitten, dat de werkplaatsen op de begane grond en het appartement met nummer 2 van hen zijn, dat zij hier meestal in de zomer komen en dat ze dan in dat appartement verblijven. Een lokale makelaar heeft de actuele waarde van de drie onroerende zaken getaxeerd op in totaal omgerekend € 116.000,-. De werkplaatsen zijn getaxeerd op omgerekend (tweemaal € 35.000,- =) € 70.000,- en het appartement op omgerekend

€ 46.000,-.

1.2.2.

Naar aanleiding van de bevindingen van het vermogensonderzoek in Turkije en de daaruit voortvloeiende vordering van appellant op betrokkenen, heeft de gemeente Nijmegen het bedrijf Fraude Informatie Buitenland (FIB) verzocht conservatoir beslag te leggen op de vermogensbestanddelen van betrokkenen in Turkije. Uit de procedure over het conservatoir beslag is naar voren gekomen dat de twee werkplaatsen en het appartement op 7 juli 2015 zijn verkocht, dat betrokkene 1 sinds 6 augustus 2015 twee onroerende zaken op zijn naam heeft staan en dat betrokkene 2 sinds 15 juni 2012, onderscheidenlijk 22 april 2015, ook twee onroerende zaken op haar naam heeft staan. De onroerende zaken op naam van betrokkene 1 betreffen twee percelen (bouw)grond in gemeenschappelijk eigendom. FIB heeft de vrije verkoopwaarde daarvan in december 2015 getaxeerd op € 6.967,74, onderscheidenlijk € 2.865,-. De onroerende zaken op naam van betrokkene 2 betreffen eveneens twee percelen bouwgrond in gemeenschappelijk eigendom. FIB heeft de vrije verkoopwaarde daarvan in december 2015 getaxeerd op € 268,71, onderscheidenlijk € 8.387,-.

1.3.1.

Bij besluit van 20 januari 2016, gericht aan betrokkenen en verzonden naar hun adres, heeft appellant de uitbetaling van de bijstand van betrokkenen met ingang van 1 januari 2016 geblokkeerd. Tevens heeft appellant betrokkenen verzocht om vóór 19 februari 2016 nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder bewijzen van de onroerende zaken die vanaf 1 november 2007 op hun naam hebben gestaan en bewijzen van de aan- en verkoop van deze onroerende zaken.

1.3.2.

Bij brief van 17 februari 2016 heeft mr. Sahin appellant bericht dat betrokkenen haar de brief van 20 januari 2016 ter hand hebben gesteld en hebben verzocht hen in deze bij te staan. Mr. Sahin verzoekt appellant voorts, met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur, een aantal documenten te verstrekken om betrokkenen te kunnen adviseren en tevens om uitstel voor de indiening van de bij het besluit van 20 januari 2016 gevraagde gegevens.

1.4.1.

Bij besluit van 19 februari 2016 (besluit 1), gericht aan betrokkenen en verzonden naar hun adres, heeft appellant, onder verwijzing naar het besluit van 20 januari 2016 en vermelding van artikel 54, eerste lid, van de PW, betrokkenen meegedeeld dat zij de gevraagde gegevens vóór 11 maart 2016 moeten verstrekken en dat als zij dat niet doen de bijstand zal worden beëindigd.

1.4.2.

Bij faxbericht van 3 maart 2016 heeft mr. Sahin namens betrokkenen bezwaar gemaakt tegen besluit 1. Bij faxbericht van gelijke datum, gericht aan “Gemeente Nijmegen t.a.v. [Y.]”, heeft mr. Sahin, onder vermelding van het kenmerk van appellant

- “ZI10/T/Peters, 269370051” - in de aanhef, bericht dat in “bovenvermelde aangelegenheid” betrokkenen zich tot haar hebben gewend om hen bij te staan. Mr. Sahin verzoekt om betrokkenen een nadere (herstel)termijn van vier weken te gunnen voor het aanleveren van de gevraagde gegevens. Bij brief van 7 maart 2016 heeft de bewindvoerder eveneens namens betrokkenen bezwaar gemaakt tegen besluit 1. De bewindvoerder wijst er in deze brief op dat een gedeelte van de gevraagde stukken wordt aangeleverd door de advocaat, mr. Sahin.

1.5.

Bij besluit van 16 maart 2016 (besluit 2), gericht aan betrokkenen en geadresseerd aan het postbusnummer van de bewindvoerder, heeft appellant de bijstand van betrokkenen ingetrokken over de periode van 27 december 2007 tot en met 28 februari 2010 en met ingang van 1 juli 2010 en de over voormelde periode en de over de periode van 1 juli 2010 tot en met 31 december 2015 gemaakte kosten van bijstand van betrokkenen teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 136.325,53. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkenen vermogen in het buitenland bezitten. Dit vermogen is hoger dan het voor betrokkenen geldende vrij te laten vermogen. Door van hun vermogen in het buitenland geen melding te maken, hebben betrokkenen de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan hebben zij geen recht op bijstand.

1.6.

Op 30 maart 2016 heeft de sociaal rechercheur betrokkenen verhoord. Betrokkene 1 heeft onder meer het volgende verklaard. Betrokkenen hebben destijds op de aanvraagformulieren de vraag of zij vermogen hebben ontkennend beantwoord omdat zij schulden hebben. De schulden hebben zij niet opgegeven, omdat zij schulden in Turkije hadden en niet in Nederland. De twee winkelpanden en het appartement in [K.] heeft betrokkene 1 in termijnen gekocht. Betrokkene 1 heeft één of twee termijnen kunnen betalen. De rest is betaald door [C.] (C). De twee winkelpanden en het appartement kostten in 2007 omgerekend € 40.000,- à € 50.000,-. De vaste lasten voor deze onroerende zaken werden handje contantje betaald. C betaalde de OZB contant bij de gemeente. De winkels heeft betrokkene 1 geruild met een appartement in [K.]. Het nieuwe appartement en het appartement boven de winkels heeft betrokkene 1 aan C gegeven, omdat betrokkene 1 zijn schuld aan C niet kon betalen. Betrokkene 1 heeft nog € 8.000,- schuld aan C. De totale schuld bedroeg € 70.000,- met boete. De twee percelen grond die op naam van betrokkene 1 staan, zijn niet van betrokkene 1. Deze percelen waren van zijn vader. Omdat zijn vader is overleden en belasting moest worden betaald, zijn de percelen op vier of vijf namen gezet, waaronder die van betrokkene 1. De twee percelen grond die op naam van betrokkene 2 staan, waren van de overleden vader van betrokkene 2. Omdat er belasting moest worden betaald, zijn deze percelen op naam gezet van betrokkene 2 en van nog zes of zeven zussen en van haar moeder. Betrokkene 2 heeft verklaard dat zij geen schulden heeft en dat zij of

betrokkene 1 niet beschikt over vermogen in of buiten Nederland. Voor het overige heeft betrokkene 2 op advies van haar advocaat geen antwoord gegeven op de haar voorgelegde vragen.

1.7.

Bij besluit van 13 mei 2016 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkenen geen procesbelang meer hebben bij een inhoudelijk oordeel over dat bezwaar. Betrokkenen hebben niet tijdig een rechtsmiddel aangewend tegen besluit 2, met als gevolg dat de intrekking over de periode van 27 december 2007 tot en met 28 februari 2010 en vanaf 1 juli 2010 in rechte is komen vast te staan. Om die reden kunnen betrokkenen met hun bezwaar tegen besluit 1 geen resultaat meer behalen dat feitelijk betekenis voor hen kan hebben.

1.8.

Op 25 mei 2016 heeft mr. Sahin namens betrokkenen bezwaar gemaakt tegen besluit 2. Hierbij heeft mr. Sahin erop gewezen dat betrokkenen geen besluit over de intrekking en terugvordering hebben ontvangen en dat besluit 2 evenmin aan haar is verzonden zodat dit niet bekend is gemaakt.

1.9.

Bij besluit van 18 juli 2016 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar tegen

besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Appellant stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2297, dat besluit 2, door toezending daarvan aan de bewindvoerder, op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant was niet gehouden besluit 2 ook aan mr. Sahin toe te zenden. Voor de bekendmaking van besluit 2 als hiervoor bedoeld, kon appellant volstaan met bekendmaking van dat besluit aan de bewindvoerder. Voor zover betrokkenen zich op het standpunt stellen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest, aangezien hen niet valt aan te rekenen dat de bewindvoerder het besluit niet tijdig heeft doorgezonden, volgt appellant hen hierin niet. Nalatigheid van de bewindvoerder komt voor rekening en risico van betrokkenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans nog van belang, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen besluit 2. De rechtbank heeft hiertoe, kort weergegeven, overwogen dat besluit 2 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, dat de bezwaartermijn dan ook niet is aangevangen op 17 maart 2016, dat het bezwaarschrift van 25 mei 2016 dus niet buiten de bezwaartermijn is ingediend en dat appellant het bezwaar tegen besluit 2 daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De enige beroepsgrond, zoals ter zitting gehandhaafd, is gericht tegen het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank dat de termijn voor het maken van bezwaar tegen besluit 2 niet is overschreden. Appellant voert daartegen aan dat uit de onder 1.11 genoemde uitspraak van 14 juni 2016 blijkt dat hij voor de bekendmaking van besluit 2, als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb, heeft kunnen volstaan met toezending van dat besluit aan de bewindvoerder en niet was gehouden om besluit 2 ook aan mr. Sahin toe te sturen.

4. Na daartoe door appellant in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft mr. Sahin de gronden van het bezwaar tegen besluit 2 ingediend. Vervolgens heeft appellant het nader besluit genomen, onder het voorbehoud dat de Raad tot hetzelfde oordeel komt als de rechtbank. Bij het nader besluit heeft appellant het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant, kort weergegeven en in reactie op de aangevoerde gronden van het bezwaar, het volgende ten grondslag gelegd. De aanleiding van het onderzoek waren meldingen die bij Bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen waren binnengekomen over mogelijke bijstandsfraude van betrokkenen. Gelet op artikel 53a van de PW was appellant bevoegd een onderzoek in te stellen naar de vermogenssituatie van betrokkenen. Het is niet van belang om een afschrift van de originele fraudemeldingen te verstrekken. Aangezien uit de onderzoeksgegevens, waaronder de rapportage vermogensonderzoek van 28 oktober 2014, genoegzaam blijkt dat ten tijde van belang onroerende zaken stonden geregistreerd op naam van betrokkenen, kon in redelijkheid worden overgegaan tot het verrichten van een taxatie. Betrokkenen hebben de bij de taxatie vastgestelde waarde overigens niet betwist. Voldoende duidelijk is hoe en door wie het onderzoek is uitgevoerd. Mr. Sahin beschikt over alle stukken die zijn geproduceerd in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek, bij het in oktober 2014 verrichte vermogensonderzoek en bij de in december door FIB uitgevoerde taxaties. Voor een belangenafweging is geen ruimte, gezien de verplichte intrekking en terugvordering in geval van fraude.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

Aangevallen uitspraak

5.2.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van het Awb vangt deze termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

5.3.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant, door besluit 2 aan de bewindvoerder toe te zenden en niet (ook) aan mr. Sahin, besluit 2 op juiste wijze bekend heeft gemaakt.

5.4.

Op 3 maart 2016 heeft mr. Sahin zich als gemachtigde van betrokkenen gesteld in het bezwaar tegen besluit 1. Hangende dit bezwaar heeft appellant op 16 maart 2016 besluit 2 genomen.

5.5.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9715, en van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2959) dient bij een nauwe verwevenheid tussen besluiten een opvolgend besluit (ook) aan de reeds bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde te worden toegezonden. Zolang dit niet is gebeurd, is het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is de bezwaar- of beroepstermijn niet gaan lopen.

5.6.

Besluit 1 moet worden opgevat als besluit tot opschorting van het recht op bijstand van betrokkenen op de grond dat betrokkenen niet binnen de bij het besluit van 20 januari 2016 gestelde termijn de bij dat besluit gevraagde gegevens over onroerende zaken op hun naam hadden verstrekt. Hierbij heeft appellant aangekondigd dat als betrokkenen deze gegevens niet tijdig verstrekken, de bijstand van betrokkenen zal worden beëindigd. Aangezien

besluit 2 moet worden beschouwd als opvolgend besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand van betrokkenen in verband met de onroerende zaken waarover appellant eerder gegevens had opgevraagd, is sprake van nauwe verwevenheid tussen besluiten 1 en 2. Nu appellant bekend was met het feit dat mr. Sahin zich had gesteld als gemachtigde in het nog lopende bezwaar tegen besluit 1, had besluit 2 ook aan mr. Sahin toegezonden moeten worden.

5.7.

Dat betrokkenen een bewindvoerder hadden en appellant door hem genomen besluiten in beginsel aan de bewindvoerder moet toezenden, doet er niet aan af dat appellant ermee bekend was dat mr. Sahin zich had gesteld als gemachtigde in een bezwaar tegen een nauw met besluit 2 verweven besluit. Het onderhavige geval is in zoverre niet gelijk aan dat van de onder 1.11 vermelde uitspraak van 14 juni 2016, waarop appellant zich beroept. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kon appellant dus in dit geval voor een correcte bekendmaking niet volstaan met toezending van besluit 2 naar de postbus van de bewindvoerder.

5.8.

Gelet op 5.4 tot en met 5.7 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant besluit 2 niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt en dat de bezwaartermijn dan ook niet is aangevangen op 17 maart 2016. In aanmerking genomen dat mr. Sahin besluit 2 pas heeft ontvangen nadat bestreden besluit 1 was genomen en vervolgens op 25 mei 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 2, heeft appellant dat bezwaar ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

5.9.

Uit 5.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Nader besluit

5.10.

Betrokkenen hebben op de hierna te bespreken gronden, zoals ter zitting gehandhaafd en nader toegelicht, het nader besluit aangevochten.

5.11.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 26 november 2007 tot en met 28 februari 2010 en van 1 juli 2010 tot en met 16 maart 2016 (beoordelingsperiode).

5.12.

Als meest vergaande beroepsgrond hebben betrokkenen aangevoerd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan verboden discriminatie bij de uitoefening van de in artikel 53a van de PW neergelegde, algemene onderzoeksbevoegdheid. Betrokkenen hebben daartoe het volgende naar voren gebracht. Appellant heeft zich (nagenoeg) alleen gericht op uitkeringsgerechtigden van Turkse nationaliteit of afkomst. Voor het selecteren van bijstandsgerechtigden voor vermogensonderzoek in het buitenland heeft appellant een risicoprofiel gehanteerd dat niet is gericht op alle bijstandsgerechtigden van niet-Nederlandse afkomst, maar uitsluitend op bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst in Nijmegen. Een eerste indicatie daarvoor is dat de in het rapport van 14 maart 2016 genoemde fraudemeldingen ontbreken. Wat de exacte beweegredenen zijn geweest om een vermogensonderzoek in te stellen, blijkt niet uit het dossier en kan dus niet worden geverifieerd. Daarnaast heeft mr. Sahin heel veel zaken van bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst bij wie appellant vermogensonderzoeken heeft laten verrichten.

5.13.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft in een brief van 1 mei 2018 uitdrukkelijk betwist dat gebruik wordt gemaakt van (discriminerende) risicoprofielen en gesteld dat in het geval van betrokkenen een rechtmatigheidsonderzoek is gestart naar aanleiding van de eerste fraudemelding die was binnengekomen. Betrokkenen hebben geen stukken ingebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat, naar zij stellen, het onderzoek naar het vermogen van appellant is aangevangen op basis van een risicoprofiel dat uitsluitend Turkse bijstandsgerechtigden selecteert voor het verrichten van vermogensonderzoek in het buitenland. Niet valt in te zien dat er niet van kan worden uitgegaan dat, zoals in het rapport van 14 maart 2016 is vermeld, drie fraudemeldingen zijn binnengekomen en dat naar aanleiding van de eerste melding een onderzoek is gestart. De enkele omstandigheid dat van deze fraudemeldingen geen documenten voorhanden zijn, is ontoereikend om aan te nemen dat appellant in het geval van betrokkenen om een andere reden dan naar aanleiding van een fraudemelding van (een medewerker van) de Afdeling Inkomen een rechtmatigheidsonderzoek in gang heeft gezet en in dat kader een vermogensonderzoek in Turkije heeft laten verrichten. De enkele verwijzing naar het aantal zaken in de praktijk van mr. Sahin waarin ten aanzien van Turkse bijstandsgerechtigden in Turkije een vermogensonderzoek is verricht, is op zichzelf noch in samenhang met het ontbreken van documenten over de fraudemeldingen toereikend om dat aan te nemen.

5.14.

Voorts hebben betrokkenen aangevoerd dat de objectiviteit en de betrouwbaarheid van het in Turkije verrichte vermogensonderzoek in het geding is. Betrokkenen hebben er in dit verband, kort gezegd, op gewezen dat niet is te verifiëren of de buitendienstmedewerker op rechtmatige wijze gegevens heeft verkregen over de in de rapportage vermogensonderzoek genoemde onroerende zaken en dat het voor derden niet mogelijk is om gegevens uit het OZB-register te verkrijgen. Een dergelijke verkrijging is in strijd met de Turkse wetgeving.

5.15.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In de rapportage vermogensonderzoek heeft de buitendienstmedewerker precies beschreven welke onderzoekshandelingen zijn verricht en wat het resultaat daarvan is geweest. De door de buitendienstmedewerker verkregen gegevens, in de vorm van een uitdraai uit het OZB-register en twee taxatierapporten, zijn bij deze rapportage gevoegd. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de

OZB-gegevens op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Uit de rapportage vermogensonderzoek blijkt dat de buitendienstmedewerker zich bij de afdeling OZB van deelgemeente [deelgemeente 1] bekend heeft gemaakt als een medewerker van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade en, desgevraagd, informatie heeft ontvangen over onroerende zaken waarvoor betrokkene 2 aangifte ozb heeft gedaan. Geen aanleiding bestaat om daaraan te twijfelen. Niet is gebleken dat de buitendienstmedewerker de afdeling OZB op enige wijze heeft bewogen om de gegevens te verstrekken. Betrokkenen hebben niet onderbouwd dat het enkele vragen om, en vervolgens in ontvangst nemen van, gegevens door de buitendienstmedewerker onrechtmatig is.

5.16.

Ten slotte hebben betrokkenen aangevoerd dat, gelet op hun schulden, geen sprake is van overschrijding van het vrij te laten vermogen en dat zij in de beoordelingsperiode dus wel recht op bijstand hadden. Betrokkenen stellen in dit verband dat zij leningen bij C hebben afgesloten. Ter onderbouwing van deze stelling hebben betrokkenen nadere stukken ingediend, waaronder leenovereenkomsten van 25 december 2007 en van 23 augustus 2010. De eerste houdt in dat C bij wijze van lening voor betrokkenen de termijnbedragen van de winkelpanden heeft betaald tot een bedrag van in totaal omgerekend € 60.000,-. Als borg hebben betrokkenen een promesse uitgegeven voor dat bedrag met als aflossingsdatum

31 december 2014. De tweede leenovereenkomst, gedateerd 23 augustus 2010, houdt in dat betrokkenen de lening niet tijdig hebben afgelost en dat zij in verband daarmee een boete van € 10.000,- zijn verschuldigd. De schuld aan C bedraagt in totaal dus € 70.000,-, en moet uiterlijk op 31 december 2014 zijn afgelost. Voor dit bedrag hebben betrokkenen een nieuwe promesse uitgegeven. Daarnaast hebben betrokkenen er ter zitting van de Raad op gewezen dat zij forse schulden hebben en in een schuldsaneringstraject zitten.

5.17.

Niet in geschil is dat betrokkenen in het grootste deel van de beoordelingsperiode - tot 7 juli 2015 - konden beschikken over twee winkelpanden en een appartement. De getaxeerde waarde van deze onroerende zaken van in totaal € 116.000,- hebben betrokkenen niet betwist. Evenmin is in geschil dat betrokkene 1 kort na die datum kon beschikken over twee percelen (bouw)grond en dat betrokkene 2 op 7 juli 2015 al beschikte over percelen (bouw)grond. Ook de getaxeerde waarde van deze - in totaal vier - onroerende zaken van in totaal omgerekend

€ 18.488,45 hebben betrokkenen niet betwist. Ten slotte is niet in geschil dat betrokkenen de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de - in totaal - zeven onroerende zaken waarover zij konden beschikken.

5.18.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Betrokkenen zijn hierin niet geslaagd. Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Betrokkenen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode in geding en/of in de te beoordelen periode zodanige schulden hadden in de hiervoor omschreven zin dat hun vermogen niet uitsteeg boven de voor hen geldende vermogensgrens. De overgelegde leenovereenkomsten zijn daartoe op zichzelf, zonder onderbouwende objectieve en verifieerbare gegevens, niet toereikend. Dit geldt ook voor de eerst ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat betrokkenen aanzienlijke schulden hebben en in de schuldsanering zitten.

5.19.

Uit 5.17 en 5.18 volgt dat de onder 5.16 opgenomen beroepsgrond niet slaagt.

5.20.

Uit 5.13, 5.15 en 5.19 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard.

Proceskosten

6. Gelet op 5.9 bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep, begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2017 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 1.002,-;

- heft een griffierecht van appellant van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

RH