Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
18/418 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negeren van dienstopdrachten. Toerekenbaar plichtsverzuim. Voorwaardelijk strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 418 AW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 december 2017, 17/3501 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. J. Oskam de gronden van het hoger beroep aangevuld en een nader stuk ingezonden.

Het college heeft nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oskam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.M.C. de Haan en F. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de gemeente Amsterdam, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling].

1.2.

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college appellant berispt wegens het tweemaal negeren van een uitnodiging voor een gesprek met zijn leidinggevende, de onbehoorlijke toonzetting van zijn e-mails aan zijn leidinggevende en het niet op de voorgeschreven wijze opnemen van verlof. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Op 6 april 2016 heeft tussen appellant en zijn direct leidinggevende [A] (leidinggevende) een planningsgesprek plaatsgevonden overeenkomstig de gesprekscyclus Functioneren, Beoordelen en Ontwikkelen (FBO) als opgenomen in de Handleiding FBO (Handleiding) van mei 2011. Dit gesprek heeft een vervolg gekregen op 2 mei 2016. Vervolgens heeft appellant, kort gezegd, geen gehoor gegeven aan verzoeken van de leidinggevende om een conceptverslag van het planningsgesprek op te maken, zijn eventuele opmerkingen te plaatsen bij een later door de leidinggevende opgesteld verslag en het verslag te ondertekenen. Toen de leidinggevende na een herhaald verzoek ter zake geen reactie van appellant ontving, heeft hij bij e-mail van 26 september 2016 bericht dat een voortgangsgesprek gepland gaat worden. Appellant heeft hierop bij e-mail van 26 september 2016 herhaald dat hij niet achter het verslag kan staan en verder heeft hij geantwoord dat een voortgangsgesprek niet aan de orde is.

1.4.

Bij e-mail van 2 oktober 2016 heeft de leidinggevende appellant bericht dat een voortgangsgesprek zeker wel aan de orde is en dat hij dat wil houden op 12 oktober 2016. Op 5 oktober 2016 heeft de leidinggevende deze afspraak nogmaals per e-mail bevestigd en opgemerkt dat niet verschijnen geen optie is. Voorts is appellant opgedragen om voor
12 oktober 2016 het verslag van het planningsgesprek, al dan niet aangevuld met opmerkingen, te ondertekenen.

1.5.

Bij brief van 24 oktober 2016 is appellant vanwege het negeren van dienstopdrachten uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek op 27 oktober 2016 en in de gelegenheid gesteld om, in plaats van te verschijnen, zijn verantwoording schriftelijk in te dienen. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich te verantwoorden.

1.6.

Na een voornemen aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 17 februari 2017 aan appellant de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van één jaar opgelegd op grond van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, in samenhang met artikel 13.7 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA). Het college heeft appellant het volgende verweten:

1. het meermaals weigeren het verslag van het planningsgesprek te ondertekenen, al dan niet met aanvullende opmerkingen;

2. het weigeren in te gaan op het uitdrukkelijke verzoek van de leidinggevende om een voortgangsgesprek te houden en het vervolgens zonder bericht niet verschijnen op 12 oktober 2016.

1.7.

Bij besluit van 4 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, het volgende overwogen. Het niet ondertekenen van het verslag van het planningsgesprek kan niet worden gekwalificeerd als plichtsverzuim. Het geen gehoor geven aan de uitnodiging voor een voortgangsgesprek en het zonder mededeling niet verschijnen op een afspraak hiervoor kan wel als plichtsverzuim worden gekwalificeerd. In de Handleiding is opgenomen dat per jaar minimaal één voortgangsgesprek wordt gevoerd in de periode van 1 juni tot 1 september. Als een medewerker zich in een disfunctioneringstraject bevindt kunnen meerdere voortgangsgesprekken worden gevoerd. Het doel van dit gesprek is het evalueren en eventueel bijsturen van de gemaakte afspraken. Het niet in acht nemen van dit voorschrift heeft nadelige gevolgen voor de functie-uitoefening, omdat hierdoor eventuele verbeterpunten in de uitvoering van de werkzaamheden niet aan bod zijn gekomen en de leidinggevende de mogelijkheid tot bijsturing van het functioneren is ontnomen of in ieder geval bemoeilijkt. Daarom heeft appellant zich, door het voorschrift om een voortgangsgesprek te houden niet in acht te nemen, schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het opgelegde voorwaardelijke strafontslag is evenredig aan de verweten gedragingen, waarbij onder meer van belang is dat aan appellant eerder een disciplinaire straf voor vergelijkbare gedragingen is opgelegd.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 11.1 van de NRGA luidt als volgt: “De ambtenaar volgt de hem gegeven voorschriften op en behoort in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.”

4.1.2.

Op grond van artikel 13.4 van de NRGA kan de ambtenaar worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

4.1.3.

Ingevolge artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NRGA kan een ambtenaar strafontslag worden verleend.

4.1.4.

Op grond van artikel 13.7, eerste en tweede lid, van de NRGA, voor zover van belang, kan bij het opleggen van een straf worden bepaald dat zij voorwaardelijk wordt opgelegd. Een voorwaardelijke straf wordt voor maximaal twee jaar opgelegd.

4.2.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de rechtbank terecht op grond van de tweede gedraging, als vermeld onder 1.6, het voorwaardelijk strafontslag in stand heeft gelaten.

4.3.

Appellant erkent dat hij heeft geweigerd in te gaan op het uitdrukkelijke verzoek van zijn leidinggevende om een voortgangsgesprek te houden en vervolgens zonder bericht niet verschenen is op 12 oktober 2016. Hij betwist het oordeel van de rechtbank dat deze gedragingen gekwalificeerd kunnen worden als plichtsverzuim. De Raad volgt hem hierin niet en verwijst hiertoe naar de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank op dit punt. De Raad kan zich met die overwegingen verenigen en maakt deze tot de zijne.

4.4.

De vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de betrokkene de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

4.5.

Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim

hem niet kan worden toegerekend (uitspraak van 6 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3687). Met de brief van 29 maart 2012 van een psychiater van AIOS psychiatrie van Zorglijn Acute stoornissen van de Divisie Psychiatrie van het Academisch Medisch Centrum (AMC) heeft appellant dit niet aannemelijk gemaakt. Uit deze brief blijkt dat appellant in 2012 opgenomen is geweest in het AMC voor acute psychische problemen. Appellant is vanwege die opname slechts voor een korte periode arbeidsongeschikt geweest. Hij is daarna weer gaan werken en heeft tot 2015 naar tevredenheid gefunctioneerd, zoals appellant ter zitting heeft bevestigd. Uit de overgelegde stukken, waaronder de hiervoor weergegeven e-mailwisseling tussen appellant en zijn leidinggevende, volgt verder niet dat appellant geacht moet worden ten tijde van de hem verweten gedragingen niet in staat te zijn geweest de ontoelaatbaarheid van die gedragingen in te zien, overeenkomstig dat inzicht te handelen en de gedragingen achterwege te laten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige, zoals namens appellant is bepleit.

4.6.

Nu ten aanzien van de tweede gedraging sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim was het college bevoegd om een disciplinaire straf op te leggen.

4.7.

Evenals de rechtbank acht de Raad het voorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Hierbij komt ook betekenis toe aan de eerdere disciplinaire straf uit 2015, waarbij appellant een berisping is gegeven voor onder meer het tweemaal negeren van een uitnodiging voor een gesprek met zijn leidinggevende. Appellant had dan ook te gelden als een gewaarschuwd man. Het plichtsverzuim moet onder deze omstandigheden worden aangemerkt als doorgaand normoverschrijdend gedrag. De rechtbank heeft het voorwaardelijk strafontslag terecht in stand gelaten.

4.8.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) L.V. van Donk

RH