Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
16/7372 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7957, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College heeft ten onrechte de echtgenote met Spaanse nationaliteit op grond van artikel 1 van het EVSMB niet gelijkgesteld met Nederlander in de periode voor 22-2-2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/380
JWWB 2018/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7372 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 oktober 2016, 15/6537 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 9 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Hüsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 8 april 2015 heeft het college appellant, op een daartoe strekkende aanvraag, met ingang van 13 maart 2015 bijstand toegekend ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant woont op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Bij een gesprek op 14 april 2015 met een medewerker van de gemeente heeft appellant verklaard dat zijn vriendin [naam] ( [X] ), van Spaanse nationaliteit, al acht maanden bij hem inwoont op het uitkeringsadres. Naar aanleiding daarvan heeft het college appellant bij brief van 30 april 2015 verzocht om een gezamenlijk aanvraagformulier in te vullen en te ondertekenen en een legitimatiebewijs van [X] en alle bankafschriften van [X] in Nederland en Spanje over de laatste twaalf maanden te verstrekken. Appellant heeft de gevraagde gegevens deels verstrekt.

1.3.

Bij besluiten van 21 mei 2015 heeft het college de bijstand van appellant vanaf 13 maart 2015 ingetrokken en de over de periode vanaf 13 maart 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 559,46 van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust op de grond dat appellant door niet alle gevraagde gegevens te verstrekken de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 11 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 21 mei 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat die besluiten worden herroepen en aan appellant bijstand wordt toegekend met ingang van 13 maart 2015 met toepassing van de kostendelersnorm. [X] wordt, gelet op haar verblijfstitel, de eerste drie maanden als niet-rechthebbende partner meegeteld voor de kostendelersnorm en met haar inkomsten als niet-rechthebbende partner moet rekening worden gehouden. Of [X] vanaf 13 juni 2015 recht heeft op bijstand moet nog worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of de kostendelersnorm vanaf 13 juni 2015 tot en met 11 september 2015 van toepassing was, waardoor er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd, omdat appellant niet betwist dat [X] vanaf 13 maart 2015 geen rechthebbende is in de zin van artikel 11 van de PW. De rechtbank heeft geen vergoeding van kosten toegekend.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 13 maart 2015 tot en met 11 september 2015.

4.2.

Niet in geschil is dat [X] in de te beoordelen periode de Spaanse nationaliteit had, op het uitkeringsadres bij appellant haar hoofdverblijf had en dat [X] en appellant voor toepassing van de PW als gehuwden moeten worden aangemerkt.

4.3.

In artikel 18, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is bepaald dat binnen de werkingssfeer van de verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.

4.3.1.

In artikel 20, eerste lid, van het VWEU is - voor zover hier van belang - bepaald dat een burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

4.3.2.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU, heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de verdragen en bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Uit artikel 21, eerste lid, van het VWEU vloeit voort dat het verblijfsrecht wordt aangenomen, indien en zo lang het onderzoek naar de beperkingen en voorwaarden, zoals onder meer vermeld in de Richtlijn, niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan.

4.3.3.

In artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn) is bepaald dat burgers van de Unie het recht hebben gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of geldig paspoort. Dit verblijfsrecht wordt ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn behouden zolang de Unieburgers geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland.

4.3.4.

Uit het eerste lid van artikel 24 van de Richtlijn volgt dat iedere burger van de EU die op het grondgebied van een gastland verblijft in beginsel dezelfde behandeling geniet als de onderdaan van dat gastland. In het tweede lid van dat artikel zijn de uitzonderingen op dit beginsel opgenomen. Het gastland is niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf, of in voorkomend geval de in artikel 14, vierde lid, onder b, bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

4.3.5.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht volgens artikel 6 zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland.
Het derde lid van artikel 14 van de Richtlijn bepaalt dat een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van het gastland niet automatisch leidt tot een verwijderingsmaatregel.

Ingevolge artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn kan, in afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

4.3.6.

In artikel 11, eerste lid, van de PW is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

4.3.7.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het VWEU dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [X] in de periode van 13 maart 2015 tot en met 13 juni 2015 (verblijf in de eerste drie maanden als EU-onderdaan op grond van artikel 6 van de Richtlijn) rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, maar dat het college in die periode op grond van artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn niet verplicht was aan [X] bijstand toe te kennen. Evenmin is in geschil dat [X] in de periode van

14 juni 2015 tot en met 11 september 2015 geen verblijfsrecht kon ontlenen aan artikel 7 van de Richtlijn welk artikel bepaalt in welke gevallen een burger van de Unie meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat mag verblijven.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het college [X] desondanks ten onrechte als

niet-rechthebbende partner heeft aangemerkt, omdat zij als Spaanse op grond van artikel 1 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) moet worden gelijkgesteld met de in Nederland woonachtige Nederlander. Hierbij heeft appellant gewezen op de uitspraak van 28 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4139. Het college heeft hierdoor ten onrechte de kostendelersnorm op appellant van toepassing geacht.

4.5.1.

Ingevolge artikel 1 van het EVSMB verbindt ieder van de verdragsluitende partijen zich te waarborgen, dat onderdanen van de andere verdragsluitende partijen, die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied, waarop dit verdrag van toepassing is, en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand, zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied.

4.5.2.

Ingevolge artikel 2, onder a, i, van het EVSMB betekent “bijstand” met betrekking tot iedere verdragsluitende partij iedere bijstand, verleend krachtens de in enig deel van haar grondgebied geldende wetten en regelingen, op grond waarvan middelen van bestaan en de voor hun toestand noodzakelijke verzorging worden verschaft aan personen zonder voldoende middelen, met uitzondering van premievrije pensioenen en uitkeringen aan slachtoffers van oorlog of bezetting. In artikel 2, onder b, van het EVSMB is bepaald dat de wetten en regelingen, die op het grondgebied van de verdragsluitende Partijen van kracht zijn en waarop dit Verdrag van toepassing is, alsmede de door de verdragsluitende Partijen gemaakte voorbehouden, onderscheidenlijk zijn opgenomen in de Bijlagen I en II.

4.5.3.

In artikel 11 van het EVSMB is het volgende bepaald:

( a) Het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen wordt als rechtmatig in de zin van dit Verdrag beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land. Verzuim om een dergelijke vergunning te doen verlengen brengt voor de betrokken persoon geen verval van het recht op bijstand teweeg, indien het verzuim uitsluitend aan zijn achteloosheid te wijten is.

( b) Rechtmatig verblijf wordt onrechtmatig op het ogenblik, waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

4.5.4.

Uit de door appellant genoemde uitspraak van 28 oktober 2016 volgt dat een onderdaan van een van de verdragsluitende staten, waarvan het verblijf rechtmatig is in de zin van

artikel 11 van het EVSMB, in een periode die is gelegen vóór 22 februari 2016 op grond van artikel 1 van het EVSMB voor de beoordeling van de aanspraken op bijstand gelijkgesteld moet worden met de in Nederland woonachtige Nederlander.

4.5.5.

In dit geval is de te beoordelen periode gelegen vóór 22 februari 2016. Zoals vermeld

in 4.4 is niet in geschil dat appellant in de periode van 13 maart 2015 tot 13 juni 2015 rechtmatig verblijf had in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en daarmee in de zin van het EVSMB. Voor de periode van 13 juni 2015 tot 11 september 2015 heeft appellant weliswaar niet betwist dat [X] geen verblijfsrecht als werknemer op grond van

artikel 7 van de Richtlijn heeft, maar heeft de staatssecretaris van veiligheid en justitie geen besluit genomen omtrent het vervallen van het verblijfsrecht van [X] . Zoals volgt uit de uitspraak van 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3854, dient in dat geval van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te worden uitgegaan. Dit uitgangspunt wordt bevestigd door de verblijfscode 30 waarmee [X] in de basisregistratie personen stond ingeschreven, wat staat voor “Vergunning op basis van

Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij”. Aan de vereisten als vermeld in 4.5.4 is dan ook voldaan.

4.6.

Uit 4.5.1 tot en met 4.5.5 volgt dat het college [X] ten onrechte niet op grond van artikel 1 van het EVSMB voor de beoordeling van haar aanspraken op bijstand heeft gelijkgesteld met de in Nederland woonachtige Nederlander. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de WWB in dit geval niet aan bijstandsverlening aan [X] in de weg staat. Het college heeft daarom ten onrechte de kostendelersnorm op appellant van toepassing geacht vanwege een inwonende niet-rechthebbende partner en appellant ten onrechte als alleenstaande aangemerkt.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd.

4.8.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Desgevraagd heeft het college medegedeeld dat er geen (andere) belemmeringen bestaan voor verlening van bijstand aan appellant en [X] in de te beoordelen periode. Daarom zal de Raad zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan appellant en [X] over die periode bijstand wordt toegekend naar de gehuwdennorm, met inachtneming van de inkomsten die [X] in die periode had. Omdat onvoldoende informatie voorhanden is over die inkomsten van [X] en de Raad geen aanleiding ziet tot toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus, zal de Raad het college opdracht geven om een nieuw besluit op het bezwaar tegen de besluiten van 21 mei 2015 te nemen. Tevens dient het college te beslissen op het door appellant ingediende verzoek om vergoeding van de wettelijke rente. Voor de wijze waarop deze vergoeding dient te worden berekend, volstaat de Raad met verwijzing naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

4.9.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-
vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 september 2015;
- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de besluiten van 21 mei
2015 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit
slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Dinleyici

IJ