Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
17/5989 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt voorop dat appellant met het besluit van 18 december 2014 heeft gekregen wat hij had gevraagd. Zijn aanvraag op grond van de Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006 is volledig ingewilligd. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen had appellant, als hij alsnog in aanmerking had willen komen voor toepassing van de per 1 oktober 2014 in werking getreden nieuwe SBF-regeling, gedurende een daartoe speciaal in het leven geroepen overgangsperiode tot en met 31 maart 2015 zijn aanvraag kunnen intrekken en vervangen door een aanvraag op grond van die nieuwe regeling. Dat heeft appellant niet gedaan. Niet valt dus in te zien dat de minister een ander besluit had moeten of zelfs kunnen nemen dan het besluit dat is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5989 AW, 17/7257 AW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

18 juli 2017, 15/6260 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Jurgens hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Jurgens een zienswijze gegeven op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jurgens. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A.P. Haddink, F. de Jonge, P.J. Hoek en W.J. Stienstra.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de [naam PI] ([naam PI]). In januari 2014 heeft hij een aanvraag ‘verlof en uitkering Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006’ ingediend. Aan appellant is te kennen gegeven dat hij niet zelf deze aanvraag kan indienen, maar dat hij dit via zijn leidinggevende moet doen. In april 2014 heeft de leidinggevende van appellant een aanvraag ingediend. Deze aanvraag is in het ongerede geraakt. Appellant heeft op 18 september 2014 een voorlichtingsbijeenkomst bijgewoond over de per 1 oktober 2014 in te voeren nieuwe regeling voor substantieel bezwarende functies (SBF), zoals overeengekomen in een onderhandelaarsakkoord. Vanaf 1 oktober 2014 is appellant, in verband met zijn SBF-verlof, niet meer op het werk verschenen.

1.2.

Omdat zijn aanvraag van april 2014 was weggeraakt, heeft appellant op 9 oktober 2014 wederom een aanvraag ingediend op grond van de Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006 (Regeling 2006). Bij besluit van 18 december 2014, verzonden op 31 december 2014, heeft de minister deze aanvraag ingewilligd. Aan appellant is per

1 oktober 2014 buitengewoon verlof verleend zonder behoud van bezoldiging, met toekenning tijdens de verlofperiode van een uitkering op grond van artikel 6 van de Regeling 2006. Bij dit besluit is aan appellant tevens ontslag verleend per de vastgestelde einddatum van de uitkering, te weten 1 juli 2017.

1.3.

Op 30 december 2014 heeft appellant een gesprek gevoerd met een medewerker van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel (EC/OP) over zijn SBF-verlof. Appellant heeft van 13 april tot en met 17 april 2015 de cursus “Afscheid van Arbeid” gevolgd.

1.4.

Bij brief, gedateerd 27 april 2015, door de minister op 2 juni 2015 ontvangen, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 december 2014. Daarin heeft hij verzocht om het besluit van 18 december 2014 te herzien en hem alsnog in aanmerking te brengen voor de zogeheten remplaçantenregeling. Bij besluit van 22 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend. Daarbij heeft de minister gesteld dat als de stelling al zou kloppen dat het besluit van 18 december 2014 appellant niet heeft bereikt, hij bezwaar had moeten maken tegen de salarisstrook van januari 2015, waaruit blijkt dat hij een SBF-uitkering ontvangt. Er is volgens de minister geen grond meer om appellant in aanmerking te brengen voor de remplaçantenregeling, nu hij de dienst heeft verlaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2014 ongegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn. De minister heeft het primaire besluit niet aangetekend verzonden en heeft van de verzending geen verzendadministratie bijgehouden. Verder heeft de minister niet betwist dat appellant in de week van 20 april 2015 op de hoogte is geraakt van het primaire besluit. Nu appellant op

27 april 2015 bezwaar heeft gemaakt, en de minister het bezwaarschrift op 2 juni 2015 heeft ontvangen, is geen sprake van een termijnoverschrijding. De stelling van de minister dat appellant bezwaar had moeten maken tegen de salarisstrook van januari 2015, volgt de rechtbank niet. Uit het enkele feit dat er op de loonstrook van januari 2015 staat “uitkering SBF” hoefde niet voor appellant kenbaar te zijn dat de minister een beslissing op zijn aanvraag om SBF-verlof had genomen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu appellant zijn verzoek om SBF-verlof op basis van de oude regeling niet op enig moment gedurende de overgangsperiode die gold van 1 oktober 2014 tot en met 31 maart 2015 heeft ingetrokken, wat nodig was om in aanmerking te komen voor de remplaçantenregeling, het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant is het eens met de vernietiging door de rechtbank van het bestreden besluit waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, maar bestrijdt in hoger beroep de ongegrondverklaring van zijn bezwaar. De Raad volgt hem hierin niet. De Raad stelt voorop dat appellant met het besluit van 18 december 2014 heeft gekregen wat hij had gevraagd. Zijn aanvraag op grond van de Regeling 2006 is volledig ingewilligd. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen had appellant, als hij alsnog in aanmerking had willen komen voor toepassing van de per 1 oktober 2014 in werking getreden nieuwe SBF-regeling, gedurende een daartoe speciaal in het leven geroepen overgangsperiode tot en met 31 maart 2015 zijn aanvraag kunnen intrekken en vervangen door een aanvraag op grond van die nieuwe regeling. Dat heeft appellant niet gedaan. Niet valt dus in te zien dat de minister een ander besluit had moeten of zelfs kunnen nemen dan het besluit dat is genomen.

3.2.

Wat appellant heeft aangevoerd over de wijze waarop hij is voorgelicht over de materie, kan het overwogene onder 3.1 niet anders maken. Onder de gedingstukken bevinden zich de sheets die tijdens de voorlichtingsbijeenkomst op 18 september 2014 zijn vertoond. De Raad stelt vast dat blijkens die sheets de verschillen tussen de oude en de nieuwe regeling, daaronder begrepen de aan de nieuwe regeling gekoppelde toepassing van de remplaçantenregeling van artikel 49xx van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, alsmede de overgangsperiode van 1 oktober 2014 tot en met 31 maart 2015, toen uitdrukkelijk aan de orde zijn geweest. Appellant had dus moeten beseffen dat hij tot en met 31 maart 2015 de tijd had om zijn aanvraag te vervangen. Dat wordt niet anders door het tijdstip en/of het verloop van het door hem op 30 december 2014 met een EC/OP-medewerker gevoerde gesprek. Ook de stelling van appellant dat een P&O-functionaris van de [naam PI] hem tijdens een telefoongesprek in januari 2015 heeft laten weten dat toepassing van de remplaçantenregeling binnen de [naam PI] niet mogelijk zou zijn, wat daar verder ook van zij, kan het voorgaande niet anders maken. Feit blijft dat appellant zijn aanvraag op grond van de oude regeling niet heeft ingetrokken, terwijl hij erover was voorgelicht dat hij dat, om voor toepassing van de nieuwe regeling in aanmerking te kunnen komen, vóór 1 april 2015 diende te doen. Ook al zouden in het bewuste telefoongesprek onjuiste of onvolledige mededelingen zijn gedaan, dat betekent niet dat deze termijn voor appellant niet meer gold, of dat de minister hem ondanks het ontbreken van een tijdig beroep op de overgangsregeling, toch in aanmerking had moeten brengen voor toepassing van de nieuwe regeling, laat staan dat de minister hem daarbij ook nog eens de kennelijk door hem gewenste stimuleringspremie op grond van de remplaçantenregeling had moeten toekennen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat van appellant, ook na het bedoelde telefoongesprek, een actievere houding had mogen worden verwacht. Nu hij er op geen enkele wijze tijdig blijk van heeft gegeven voor toepassing van de nieuwe regeling in aanmerking te willen komen, restte er niets anders dan de toekenning van het gevraagde op grond van de oude regeling, zoals die heeft plaatsgevonden.

3.3.

Het hoger beroep slaagt dus niet. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoeft daarom geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

IJ