Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
18/2037 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2037 AW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 april 2018, 17/6908 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een tweetal reacties gegeven op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Brussee en ir. M. Romijn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 april 2011 werkzaam in de functie van [naam functie]

bij het [naam bureau] van de gemeente Leiden.

1.2.

Bij brief van 18 februari 2015 heeft het college appellant een schriftelijke waarschuwing

gegeven in verband met het doen van ongepaste uitlatingen tegen collega’s.

1.3.

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft het college appellant vanwege het op ongepaste

wijze communiceren met en bejegenen van zijn leidinggevende een schriftelijke berisping opgelegd, waaraan een proeftijd van één jaar is gekoppeld, waarbinnen bij geconstateerd plichtsverzuim een zwaardere disciplinaire straf zal worden overwogen.

1.4.

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft het college appellant de disciplinaire straf van een

geldboete van € 200,- opgelegd vanwege ongepaste bejegening van een collega, zijn leidinggevende en de afdelingsmanager. Daarbij is meegedeeld dat, indien appellant zich wederom schuldig maakt aan plichtsverzuim, een zwaardere disciplinaire straf zal worden overwogen, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten.

1.5.

Bij besluit van 28 maart 2017 heeft het college appellant wegens het op ongepaste

wijze communiceren met en bejegenen van de afdelingsmanager de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag als bedoeld in artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) opgelegd. Daarbij is bepaald dat het ontslag niet ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich gedurende een jaar te rekenen vanaf de dag na verzending van dit besluit niet opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim of enig ander plichtsverzuim. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.6.

Tijdens een gesprek op 25 april 2017 heeft de leidinggevende appellant te kennen gegeven dat is geconstateerd dat hij (technische) tekeningen, die eigendom zijn van de gemeente Leiden, zonder toestemming heeft geplaatst op social media. Appellant is de dienstopdracht gegeven om de tekeningen binnen 24 uur van alle social media te verwijderen. Voorts is geconstateerd dat appellant zich aanbiedt voor dezelfde werkzaamheden als die hij voor de gemeente Leiden doet. Dit wordt geoormerkt als nevenwerkzaamheden die dienen te worden gemeld.

1.7.

Na het voornemen daartoe is het college bij besluit van 29 mei 2017, na bezwaar

gehandhaafd bij besluit van 19 september 2017 (bestreden besluit), overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag per 1 juni 2017. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant als ernstig plichtsverzuim wordt verweten dat hij (technische) tekeningen, die eigendom zijn van de gemeente Leiden en deels vertrouwelijk zijn, zonder toestemming heeft geplaatst op social media - zoals Facebook, Instagram en LinkedIn - en dat op 2 mei 2017 is geconstateerd dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan de dienstopdracht om de tekeningen te verwijderen van social media. Voorts is appellant verweten dat hij heeft nagelaten opgave te doen van zijn voornemen om nevenwerkzaamheden te gaan verrichten. Geconstateerd is dat appellant zich aanbiedt voor dezelfde werkzaamheden als die hij voor de gemeente Leiden verricht en dat dit tot belangenverstrengeling kan leiden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, overwogen dat appellant zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim en dat dit toerekenbaar is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

Het college heeft in hoger beroep gepleit voor bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637 en 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire straf van ontslag worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke disciplinaire straf rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en, zo ja, of het bestuursorgaan de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant de verweten gedragingen zoals vermeld in 1.7 heeft begaan. Met het college en de rechtbank merkt de Raad deze gedragingen aan als plichtsverzuim. De verweten gedragingen van het geen gevolg geven aan de dienstopdracht om de tekeningen van alle social media te verwijderen en het niet melden van (het voornemen tot) het verrichten van nevenwerkzaamheden, hebben plaatsgevonden in de proeftijd van het voorwaardelijk strafontslag, zodat het college op grond hiervan bevoegd was om het strafontslag ten uitvoer te leggen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1165). Dat appellant geen slechte intenties had bij de hem verweten gedragingen maakt dit niet anders, nu slechte intenties niet aan het plichtsverzuim ten grondslag zijn gelegd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4100). De stelling van appellant dat de kans groot is dat hem onrecht wordt aangedaan en dat hij wordt benadeeld als moslim en vanwege zijn Marokkaanse afkomst, is op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd. Uit artikel 15:1:e, eerste lid, van de CAR/UWO volgt reeds dat appellant verplicht was om zijn voornemen om nevenwerkzaamheden te verrichten te melden aan het college en niet eerst nadat hij opdrachten en/of inkomsten had gekregen. Appellant heeft zich onweersproken aangeboden voor dezelfde werkzaamheden als die hij verrichtte in zijn functie bij de gemeente, wat de belangen van de dienst kan raken. Dat hij met zijn leidinggevende de afspraak zou hebben gemaakt dat hij, zodra hij inkomsten zou krijgen, daarvan melding zou doen bij zijn leidinggevende heeft het college betwist. Appellant heeft het bestaan van deze afspraak niet aannemelijk gemaakt. Voor zover appellant zich ondergewaardeerd voelde door zijn leidinggevende, onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank dat dit niet als rechtvaardiging kan dienen voor het plichtsverzuim.

4.3.

De conclusie is dat sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim en dat het college bevoegd was om tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag over te gaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van de tenuitvoerlegging. Het college heeft in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging kunnen komen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

GdJ