Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
16/7547 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte urenuitbreiding tijdens reintegratietraject. Geen medisch advies gevraagd. Geen aanleiding voor schadevergoeding op grond dat appellant ten onrechte 16 uur in plaats van 12 uur per week heeft gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7547 PW

Datum uitspraak: 3 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 oktober 2016, 15/4897 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 13 november 2000 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Teneinde de participatiemogelijkheden van appellant te bepalen heeft het college een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht een advies uit te brengen. In een rapport van 27 juni 2014 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellant participatiemogelijkheden heeft. Appellant heeft klachten die leiden tot beperkingen voor arbeid. Appellant is aangewezen op merendeels zittend werk, afgewisseld met lopen en staan en daarbij moet rekening worden gehouden met de klachten van appellant aan zijn linkerhand en -pols. Daarnaast dient de arbeid verricht te worden in een rook-, stof- en damparme omgeving. De arbeidsdeskundige heeft het college geadviseerd het aantal te werken uren geleidelijk uit te breiden.

1.3.

Bij besluit van 11 september 2014 heeft het college besloten dat appellant met ingang van 16 september 2014 voor de duur van vijf weken gaat deelnemen aan een onderzoekstraject bij het Trainings- en Diagnose Centrum (TDC) in [plaatsnaam] voor achttien uur per week. Appellant heeft aan dit onderzoekstraject deelgenomen. Op 15 januari 2015 hebben appellant en het TDC een leer- en werkervaringsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is opgenomen dat appellant in de periode van 19 januari 2015 tot 19 juli 2015 een re-integratietraject bij het TDC zal volgen op de afdeling montage. Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college appellant meegedeeld dat hij met ingang van 19 januari 2015 is geplaatst op een

re-integratietraject bij TDC. Appellant wordt in eerste instantie geacht zes uur per week te werken. Na een maand wordt dit uitgebreid naar negen uur per week en na twee maanden naar twaalf uur per week. Appellant heeft in overeenstemming met de in het besluit van

26 januari 2015 genoemde uren deelgenomen aan het re-integratietraject bij het TDC.

1.4.

Bij besluit van 10 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de deelname van appellant aan het re-integratietraject

- in het bestreden besluit aangeduid als werkontwikkelplek - bij het TDC verlengd tot en met

18 januari 2016 en het aantal per week te werken uren met ingang van 1 september 2015 uitgebreid van twaalf naar zestien. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de arbeidsdeskundige van het Uwv in 2014 heeft geconcludeerd dat appellant arbeidsmogelijkheden heeft en het aantal uren langzaam moet worden uitgebreid. Uit de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie kan volgens het college niet worden afgeleid dat hij maar twaalf uur per week kan werken. De mantelzorg die appellant aan zijn moeder verleent staat aan een uitbreiding van het aantal per week te werken uren niet in de weg. Appellant kan naast de zestien uur die hij bij het TDC werkt nog mantelzorg verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte de uren die hij aan het re-integratietraject moet deelnemen heeft uitgebreid van twaalf naar zestien Appellant stelt dat hij, gelet op zijn medische klachten, niet in staat is zestien uur per week te werken. Verder stelt appellant dat het advies van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 27 juni 2014 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij als gevolg van de bestreden besluitvorming schade heeft geleden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het college terecht heeft besloten om het

re-integratietraject van appellant bij het TDC uit te breiden van twaalf naar zestien uur per week.

4.2.

Het college heeft aan de urenuitbreiding uitsluitend het rapport van de arbeidsdeskundige van 27 juni 2014 ten grondslag gelegd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen

(vergelijk de uitspraak van 26 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI7173), dient het bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast, in de eerste plaats ervoor zorg te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Indien, zoals in dit geval, voor het vaststellen van die feiten mede gebruik wordt gemaakt van een deskundigheid waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt, kan het zich laten adviseren door een daartoe in te schakelen deskundige. Het ligt dan echter op de weg van het bestuursorgaan dat van het advies gebruik maakt om zich ervan te vergewissen dat dit advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, had het college het advies van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 27 juni 2014 niet zonder nader onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, zeker niet in het licht van de door appellant overgelegde medische informatie. Daarbij is van belang dat de arbeidsdeskundige, en niet een medisch deskundige, in het rapport van 27 juni 2014 een beschrijving heeft gegeven van de medische beperkingen van appellant. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant, indien rekening wordt gehouden met deze beperkingen, arbeidsmogelijkheden heeft. Verder heeft de arbeidsdeskundige geadviseerd de door appellant per week te werken uren geleidelijk uit te breiden. Vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 5 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3708) is echter dat het tot de specifieke deskundigheid van een (verzekerings)arts behoort om vast te stellen wat de beperkingen van een betrokkene tot het verrichten van arbeid zijn en om te bepalen hoeveel uur een betrokkene per week kan werken. Het college had op basis van het rapport van de arbeidsdeskundige van 27 juni 2014 het aantal door appellant bij het TDC te werken uren bij het bestreden besluit niet mogen uitbreiden zonder hierover een advies van een medisch deskundige te vragen. Het bestreden besluit is dan ook niet op een zorgvuldig onderzoek gebaseerd en ontbeert hierdoor een draagkrachtige motivering.

4.4.

De rechtbank heeft wat in 4.3 is overwogen niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het traject bij TDC inmiddels geëindigd is, kan een nieuw medisch advies achterwege blijven en zal het besluit van 10 juli 2015 worden herroepen voor zover daarbij de uren in het re-integratietraject zijn uitgebreid van twaalf naar zestien uur.

4.5.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446) moet de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het burgerrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van de door appellant gestelde schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

4.5.2.

Uit 4.4 volgt dat de onrechtmatigheid van het besluit tot urenuitbreiding vaststaat. Ook de toerekening als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek daarvan aan het college staat daarmee vast.

4.5.3.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade voor door hem gemaakte reiskosten van de reis naar het TDC. Zoals appellant ter zitting heeft erkend heeft de urenuitbreiding van twaalf naar zestien uur feitelijk alleen gevolgen gehad voor het aantal uur dat hij per dag deelnam aan het traject bij het TDC en heeft hij als gevolg van deze urenuitbreiding niet meer dagen per week naar het TDC hoeven reizen. Appellant heeft dus als gevolg van de urenuitbreiding geen extra reiskosten gemaakt, zodat een rechtens relevant causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de reiskosten ontbreekt. Dit betekent dat deze kosten niet voor schadevergoeding in aanmerking komen.

4.5.4.

Appellant heeft tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens toegenomen medische beperkingen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in beroep en hoger beroep medische stukken overgelegd. Uit deze medische stukken, die voornamelijk betrekking hebben op de medische situatie van appellant van ruim voor de bestreden besluitvorming, kan niet worden afgeleid dat zijn medische beperkingen als gevolg van de onderhavige urenuitbreiding zijn toegenomen. Ook hier ontbreekt het causaal verband, zodat ook dit verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

4.5.5.

Appellant heeft ten slotte een verzoek om vergoeding van schade gedaan wegens het onbeloond verrichten van verplichte werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant heeft echter niet onderbouwd wat de aard en omvang van deze schade is. Los van de vraag of in deze situatie sprake is geweest van het verrichten van verplichte arbeid zoals bedoeld in artikel 4 EVRM, vloeit uit de enkele door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij zestien in plaats van twaalf uur heeft deelgenomen aan het

re-integratietraject bij TDC en dat achteraf is vastgesteld dat de besluitvorming waarin deze urenuitbreiding is neergelegd onrechtmatig is, geen schade voort die voor vergoeding in aanmerking komt.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het verzoek van appellant om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 oktober 2015;

  • -

    herroept het besluit van 10 juli 2015 voor zover dit betrekking heeft op de urenuitbreiding van twaalf naar zestien uur per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 oktober 2015;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 169,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) J. Tuit

sg