Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
17/6054 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herroeping ontslagbesluit door de Raad. Terugvordering bovenwettelijke uitkering en aanvullende uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6054 AW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 juli 2017, 17/2414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.J. Horlings hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaak heeft gevoegd met de zaken 17/6102 AW en 18/1003 AW plaatsgevonden op 12 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Horlings. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1990 in vaste dienst aangesteld als [naam functie] bij de gemeente [woonplaats]. Bij besluit van 4 november 2010 heeft het college appellant ontslag verleend (ontslagbesluit). Bij uitspraak van 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1500, heeft de Raad het ontslagbesluit herroepen.

1.2.

Bij brief van 12 oktober 2015 heeft het college aan appellant bericht dat hij ten onrechte een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWW) heeft ontvangen. De ten onrechte ontvangen BWW had moeten worden teruggevorderd. De gemeente heeft het bureau BWW opdracht gegeven de onterecht betaalde BWW te berekenen en deze bij appellant alsnog terug te vorderen. Ook de aanvullende uitkering, die via KPMG aan appellant is uitbetaald, zal worden teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 19 september 2016 (terugvorderingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college een bedrag van € 14.785,- bruto aan ten onrechte uitgekeerde BWW over de periode van 1 januari 2011 tot en met 6 juli 2013 van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 116a van de Ambtenarenwet (AW) vormt sinds 1 juli 2009 de grondslag voor de bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bezoldiging. Op grond van artikel 115, eerste lid, van de AW wordt onder bezoldiging onder meer verstaan de bedragen - onder de benaming bezoldiging of welke benaming ook - waarop de ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft en de bedragen - onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of welke benaming ook - waarop de gewezen ambtenaar als zodanig aanspraak heeft uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking.

4.2.1.

De Raad volgt niet het ter zitting door het college ingenomen standpunt dat het terugvorderingsbesluit in dit geval op artikel 1.14 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam kon worden gebaseerd. Dit artikel is immers blijkens de tekst van dit artikel en de toelichting daarop bedoeld voor gevallen waarin de betaling van meet af aan onjuist is geweest en dit betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 februari 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA5418) betekent het bestaan van een bepaling als deze echter niet dat terugvordering uitsluitend in de in deze bepaling uitdrukkelijk geregelde gevallen mogelijk is.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak verzetten het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van evenwichtige belangenafweging zich niet tegen terugvordering van wat is uitgekeerd in de maanden voordat de betrokkene de onverschuldigdheid duidelijk kon zijn, voor zover het bedrag waarop de betrokkene alsnog aanspraak verkrijgt niet geringer is dan het onverschuldigd betaalde (vergelijk de uitspraak van 22 april 2010, ECLI:CRVB:2010:BM3726).

4.2.3.

Op grond van de zes-maandenjurisprudentie wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd beperkt indien het niet adequaat reageert op signalen van een (gewezen) ambtenaar waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog maximaal zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om nog gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering. Met deze rechtspraak is beoogd om het vertrouwen van de uitkeringsgerechtigde op de juistheid van de door het uitvoeringsorgaan betaalde uitkeringsbedragen te honoreren na een redelijke termijn nadat de uitkeringsgerechtigde aan het uitvoeringsorgaan een signaal heeft gegeven over een wijziging van relevante feiten. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat in dit geval de

zes-maandenjurisprudentie in de weg staat aan de terugvordering. Een situatie als de onderhavige, waarin zowel de ambtenaar als het bestuursorgaan op een bepaald moment worden geconfronteerd met de onverschuldigdheid van een betaling die ontstaat door een wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht, is immers niet gelijk te stellen met de situatie dat een (gewezen) ambtenaar het bestuursorgaan wijst op een reeds bestaande onjuistheid van een betaling.

4.3.1.

Nu de Raad met de uitspraak van 1 mei 2014 het ontslag van appellant heeft herroepen, is een wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht ontstaan als bedoeld in de onder 4.2.2 genoemde rechtspraak. Het door het college teruggevorderde bedrag van

€ 14.785,- is geringer dan de nabetaling van bezoldiging van € 65.670,96. Het college was dan ook bevoegd om uiterlijk twee jaar na de uitspraak van 1 mei 2014, dus uiterlijk op 1 mei 2016 over te gaan tot terugvordering van de BWW. Dit betekent conform vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3548) niet dat het terugvorderingsbesluit uiterlijk op 1 mei 2016 had moeten worden genomen, maar dat de eerste terugvorderingshandeling op dat moment moet zijn gedaan. De brief van 12 oktober 2015 dient als eerste terugvorderingshandeling te worden beschouwd, nu in deze brief op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking is gebracht dat door het college de ten onrechte ontvangen BWW van appellant wordt teruggevorderd.

4.3.2.

De bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bezoldiging op grond van artikel 116a van de AW is van discretionaire aard zodat het gebruik ervan terughoudend moet worden getoetst. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. De stukken bevatten geen aanwijzingen die het standpunt van appellant ondersteunen dat het college de nabetaling van bezoldiging en de afwikkeling van het dienstverband zou traineren. Dat de nabetaling van de bezoldiging en de vergoeding van geleden schade niet soepel is verlopen, en dat het na de eerste terugvorderingshandeling nog ruim elf maanden heeft geduurd voordat het college het terugvorderingsbesluit heeft genomen, maakt niet dat het college in redelijkheid geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering van de BWW.

4.4.

Uit 4.2.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H. Benek en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J. Smolders

RH