Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
16/5643 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering kinderbijslag omdat de kinderen niet tot het huishouden van appellante behoorden en omdat hij hen niet in belangrijke mate heeft onderhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5643 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 juli 2016, 16/2355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Jordanië (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.M. Lenting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Visscher. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving kinderbijslag voor zijn kinderen [naam A], geboren [in 1] 1998, [naam B], geboren [in 2] 2000 en [naam C], geboren [in 3] 2003. Naar aanleiding van een onderzoek naar de woonplaats van appellant en zijn kinderen heeft de Svb bij besluit van
25 juni 2015 het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2005 ingetrokken. Daarbij is voor de periode tot en met het eerste kwartaal van 2008 te kennen gegeven dat de kinderen niet tot het huishouden van appellant behoorden en hij hen niet in belangrijke mate heeft onderhouden. Voor de periode vanaf het tweede kwartaal van 2008 heeft de Svb bepaald dat appellant niet langer verzekerd is op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

1.2.

Bij besluit van eveneens 25 juni 2015 heeft de Svb de in de periode van het vierde kwartaal van 2005 tot en met het derde kwartaal van 2014 ten onrechte betaalde kinderbijslag tot een bedrag van € 23.748,56 teruggevorderd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 25 juni 2015 in zoverre gegrond verklaard, dat appellant over de periode van het tweede kwartaal van 2012 tot en met het tweede kwartaal van 2015 recht heeft op kinderbijslag. Het bezwaar is ongegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de periode van het vierde kwartaal van 2005 tot en met het eerste kwartaal van 2012. De Svb heeft over deze periode overwogen dat appellant weliswaar verzekerd was, maar dat hij de verhuizing van zijn kinderen naar Jordanië niet tijdig heeft doorgegeven. Over de periode van het vierde kwartaal van 2005 tot en met het eerste kwartaal van 2012 heeft appellant niet op een voor de Svb eenvoudig te controleren manier aangetoond voor welk bedrag hij zijn kinderen heeft onderhouden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant niet op eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden in de periode van het vierde kwartaal van 2005 tot en met het eerste kwartaal van 2012.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zijn kinderen wel in belangrijke mate heeft onderhouden. Als voornaamste onderbouwing van dit standpunt heeft appellant stukken overgelegd die zien op de betaling van de woon- en onderwijskosten van de kinderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderen van appellant in de in geschil zijnde periode van het vierde kwartaal van 2005 tot en met het eerste kwartaal van 2012 niet tot het huishouden van appellant behoorden. Zij woonden in deze periode bij hun moeder in Jordanië, terwijl appellant in Nederland woonachtig was.

4.2.

Nu de kinderen in de in geding zijnde periode niet tot het huishouden van appellant behoorden, kan appellant slechts aanspraak op kinderbijslag maken indien hij aannemelijk kan maken de kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient een verzekerde op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze, met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die de kinderen verzorgt dan wel ten name van de kinderen zelf, aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudseis.

4.3.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet aan deze vereisten heeft voldaan en onderschrijft wat de rechtbank hierover heeft overwogen. Appellant heeft geen bewijzen van stortingen of bankoverschrijvingen over de hier in geding zijnde kwartalen overgelegd. Wel heeft appellant ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de huur en het schoolgeld van zijn kinderen heeft betaald, een aantal kwitanties ingebracht. Deze betalingen zouden volgens appellant contant zijn verricht. Deze door appellant gestelde verrichte betalingen voldoen echter niet aan de hiervoor geformuleerde eis van eenvoudige controleerbaarheid. Deze kwitanties zijn in dit geval namelijk niet als objectief en verifieerbaar bewijs aan te merken. Het betreft geen originele kwitanties maar kopieën die voor een groot deel pas in hoger beroep zijn ingebracht. De kwitanties van de scholen zijn weliswaar aan appellant gericht maar vermelden niet dat appellant degene is van wie betalingen zijn ontvangen. Appellant heeft door overlegging van de kwitanties dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft voldaan aan de onderhoudseis. Dat de rechtbank is uitgegaan van het kunnen aantonen in plaats van het aannemelijk maken dat er is voldaan aan de onderhoudseis, maakt het oordeel van de Raad niet anders, omdat in beide gevallen sprake moet zijn van eenvoudig controleerbare betalingen. Appellant heeft over de in geding zijnde kwartalen dus niet voldaan aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op kinderbijslag.

4.4.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) G.D. Alting Siberg

NW