Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
16/6388 AKW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6702, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag toe te kennen. Appellante heeft niet in belangrijke mate bijgedragen in het onderhoud van haar kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6388 AKW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 augustus 2016, 15/7369 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Namens appellante is verschenen mr. Matadien. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft in augustus 2014 kinderbijslag ingevolge de Algemene

Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor haar [kind], geboren [in] 2004. Het kind woonde ten tijde van belang in een pleeggezin.

1.2.

Bij besluit van 8 september 2014 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag aan appellante toe

te kennen met ingang van het derde kwartaal van 2014, omdat appellante niet in belangrijke mate heeft bijgedragen in het onderhoud van haar kind. Bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat zij in belangrijke mate haar kind heeft onderhouden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de totale verplichte eigen bijdrage aan het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) niet kan betalen. Zij kan hiervoor geen vrijstelling krijgen. Indien appellante kinderbijslag zou ontvangen, dan zou zij kunnen voldoen aan haar verplichting. Er wordt een door verschillende verdragsbepalingen verboden onderscheid gemaakt tussen ouders die wel de verplichte eigen bijdrage kunnen voldoen en ouders die daar niet toe in staat zijn. Appellante stelt dat er in haar geval reden is om af te wijken van de regelgeving met betrekking tot de onderhoudsbijdrage.

3.2.

De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet voldoet aan de voor haar ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW in samenhang met het bepaalde in het Besluit uitvoering kinderbijslag (Besluit) gestelde onderhoudsbijdrage. In dit verband wordt opgemerkt dat het niet kunnen voldoen aan de betalingsverplichting jegens het LBIO losstaat van de vraag of wordt voldaan aan de onderhoudseis ingevolge de AKW.

4.2.

Het is vaste rechtspraak dat het hanteren van een vaste, inkomensonafhankelijke onderhoudsbijdrage in het kader van het vaststellen van het recht op kinderbijslag, zonder rekening te houden met de financiële draagkracht van de aanvrager, niet in strijd is met het in verschillende verdragen neergelegde gebod van gelijke behandeling. Kinderbijslag is bedoeld als tegemoetkoming in de onderhoudskosten van kinderen. De AKW, in het bijzonder

artikel 7, en de daarop gebaseerde lagere regelgeving bevatten een gedetailleerde en genuanceerde regeling op grond waarvan onder andere rekening wordt gehouden met de vraag of het kind al dan niet één huishouden vormt met de aanvrager van kinderbijslag, met de reden waarom het kind niet tot het huishouden van de aanvrager behoort, of en in welke mate het kind inkomen heeft en of de ouder bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van een kind dat niet tot zijn huishouden behoort. Als een ouder niet voldoende of niet aan het onderhoud heeft bijdragen, is daarin een grond gelegen voor het niet toekennen van kinderbijslag. Verwezen wordt in dit verband naar onder meer de uitspraak van de Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1211.

4.3.

Het beroep op een aantal andere internationaalrechtelijke bepalingen, zoals de artikelen 2, 18, 26 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest, kan niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat volstrekt onvoldoende is onderbouwd dat de toepassing van de onderhoudseis in het geval van appellante leidt tot een schending van deze bepalingen. Er wordt derhalve niet toegekomen aan beantwoording van de vraag in hoeverre elk van de genoemde bepalingen zich leent voor een rechtstreekse toepassing door de rechter in de context van deze procedure.

4.4.

Nu de weigering kinderbijslag toe te kennen een gebonden besluit betreft, bestaat geen ruimte voor een belangenafweging. Niettemin is in de rechtspraak aanvaard dat aan de rechter enige afweging ter zake van het al dan niet intreden van de met de betreffende regel beoogde rechtsgevolgen een beoordeling toekomt, en wel aan de hand van het criterium dat strikte toepassing van de wet in die mate in strijd kan komen met fundamentele rechtsbeginselen dat zij op grond daarvan achterwege moet blijven.

4.5.

De door appellante aangedragen financiële omstandigheden zijn niet van een zodanig gewicht dat wordt voldaan aan het onder 4.4 vermelde criterium.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen plaats, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) G.D. Alting Siberg

ew