Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
16/7680 ANW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:281
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing Anw-uitkering omdat appellante niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de Anw, omdat haar echtgenoot op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor die wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7680 ANW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 november 2016, 16/1907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1958 en was gehuwd met [A] die [in] 2008 in Marokko is overleden. In maart 2015 heeft appellante een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd. Deze aanvraag is door de Svb bij besluit van 11 mei 2015 afgewezen, omdat appellante niet aan de voorwaarden voor het recht op deze uitkering voldeed.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb de grondslag van de afwijzing gewijzigd in die zin dat appellante bij nader inzien niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de Anw, omdat haar echtgenoot op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor die wet. Hiertoe is overwogen dat uit de ter beschikking staande gegevens blijkt dat [A] tot 22 april 2008 in Nederland heeft gewoond en/of gewerkt. Op de dag van zijn overlijden, [in] 2008, woonde hij niet in Nederland, maar in Marokko en was hij dus niet in Nederland verzekerd. Voorts was de echtgenoot niet vrijwillig voor de Anw verzekerd en was hij ook niet verzekerd voor de Marokkaanse sociale wetgeving.

1.3.

Op verzoek van de rechtbank heeft de Svb nader onderzoek gedaan naar de vraag of de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden nog ingezetene van Nederland was.

Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat de echtgenoot van appellante al in 2006 feitelijk in Marokko woonde en dat aan de enkele uitschrijving uit de basisadministratie op 22 april 2008, anders dan in het bestreden besluit is overwogen, niet de conclusie kan worden verbonden dat [A] tot 22 april 2008 in Nederland woonachtig is geweest. De Svb heeft zich hierbij met name gebaseerd op de stukken die zijn ontvangen van het Uwv waaruit blijkt dat [A] in 2006 feitelijk in Marokko woonde. Bij de Svb zijn geen gegevens van de echtgenoot bekend en ook raadpleging van de gemeente Den Haag en het schakelregister heeft geen gegevens opgeleverd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van de beschikbare gegevens er vanuit moet worden gegaan dat [A] in elk geval vanaf mei 2006 niet meer in Nederland woonde en werkte. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de stukken die door de Svb zijn ontvangen van het Uwv, waaronder een beroepschrift van 16 mei 2016 aan de Centrale Raad van Beroep, blijkt dat

[A] op dat moment woonachtig was in Marokko. Verder blijkt uit een notitie in het dossier van een telefoongesprek met de zoon van appellante dat de zoon heeft gezegd dat zijn vader in de periode van 1992 tot en met 2006 in [plaatsnaam] als [naam functie] heeft gewerkt en daar heeft gewoond. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat [A] nadien nog een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, zijn gesteld noch gebleken. Nu niet is gebleken dat [A] ten tijde van zijn overlijden ingezetene van Nederland was of in Nederland werkte, was hij niet op grond van de Anw verzekerd. Nu

[A] ook overigens niet als verzekerde voor de Anw kon worden aangemerkt, is de aanvraag van appellante om een Anw-uitkering terecht afgewezen. In verband met het nadere onderzoek dat de Svb in beroep heeft moeten verrichten en de motivering van het bestreden besluit heeft aangepast, heeft de rechtbank aanleiding gezien de Svb op te dragen aan appellante het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer dan 75% arbeidsongeschikt is, geen inkomsten heeft, geen activiteiten kan ondernemen en nog steeds onder medische behandeling is.

3.2.

De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daarbij gebezigde overwegingen worden geheel onderschreven. Ook in hoger beroep is de vaststelling dat [A] op de dag van zijn overlijden geen ingezetene van Nederland was niet bestreden. Nu ook niet is gebleken dat

[A] op andere gronden als verzekerde voor de Anw moet worden aangemerkt, wordt

– zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – niet meer toegekomen aan de vraag of appellante zelf voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een uitkering op grond van de Anw. Haar mate van arbeidsongeschiktheid, evenals de overige omstandigheden waarin zij verkeert, kunnen niet tot toekenning van een Anw-uitkering leiden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde

GdJ