Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
15/5950 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in de hoger beroepen heeft aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van wat zij in de eerdere procedures naar voren heeft gebracht en geeft geen reden om van de oordelen van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraken 1 tot en met 3, af te wijken. Het verzoek van appellante om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen. De onderbouwing van de bestreden besluiten door het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gezien het voorgaande overtuigend. De noodzakelijke twijfel om tot het benoemen van een deskundige over te gaan ontbreekt. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante per 30 juni 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA en dat appellante per 2 juni 2015 als per 18 oktober 2016 geen recht heeft op ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5950 WIA, 16/3194 ZW, 17/7570 ZW

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van

21 juli 2015, 15/726 (aangevallen uitspraak 1), 31 maart 2016, 15/2739 (aangevallen uitspraak 2) en 17 oktober 2017, 17/688 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan en A. Kabaktepe als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als verpakking/productiemedewerkster voor

30,69 uur per week, toen zij op 4 juli 2011 uitviel voor haar werkzaamheden door rugklachten. Daarna zijn door appellante ook arm- en voetklachten en psychische klachten gemeld.

1.2.

Na afloop van de voorgeschreven wachttijd, die wegens een aan de werkgever opgelegde loonsanctie met 52 weken is verlengd, heeft het Uwv, na een medisch en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 19 augustus 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van

30 juni 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 augustus 2014 heeft het Uwv bij besluit van 19 februari 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

16 februari 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

19 februari 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de eerder opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens, met inachtneming van de aangepaste FML van 16 februari 2015, de oorspronkelijk geselecteerde functies bekeken en één van de drie functies die aan de schatting ten grondslag was gelegd vervangen door een nieuwe functie. Op basis van de functies van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en machinebediende inpak/verpakkingsmachine (SBC-code 271093), de drie functies met de hoogste lonen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 12,54%. De mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35% gebleven.

1.4.

Appellante heeft zich op 8 januari 2015 ziek gemeld met toegenomen klachten en een geplande operatie aan haar rechterelleboog wegens een tennisarm. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 28 mei 2015 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 2 juni 2015 weer geschikt geacht voor de maatgevende arbeid, zijnde één van de WIA-functies genoemd in 1.3. Bij besluit van 1 juni 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 2 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2015 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 november 2015 ten grondslag.

1.5.

De WW-uitkering van appellante is voortgezet en vanuit die situatie heeft zij zich per

1 september 2015 ziek gemeld met toegenomen klachten. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts (i.o.) van het Uwv appellante op 7 september 2016 gezien. Deze arts (i.o.) heeft, met een akkoord van een verzekeringsarts, appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in de FML van

12 september 2016. Na overleg met een arbeidsdeskundige is de arts (i.o.) in een rapport van

14 oktober 2016 tot de conclusie gekomen dat het ziekteproces is verbeterd en dat appellante voldoende belastbaar is om in de maatgevende arbeid te hervatten, en dat is één van de geselecteerde WIA-functies genoemd in 1.3. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van

14 oktober 2016 vastgesteld dat appellante per 18 oktober 2015 (lees: 2016) geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2017 (bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 3 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2017 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 tot en met 3 heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat, de medische onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan de bestreden besluiten voldoende zorgvuldig geacht en geoordeeld dat wat appellante tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel kan leiden.

3.1.

Appellante heeft zich niet met de uitspraken van de rechtbank kunnen verenigen. In de hoger beroepen heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat de medische onderzoeken die aan de bestreden besluiten ten grondslag liggen onzorgvuldig zijn geweest. Appellante benadrukt dat zowel haar lichamelijke als psychische klachten zijn onderschat en dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen, omdat zij op de data in geding meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft appellante in haar hoger beroep tegen de WIA-beoordeling nadere medische stukken overgelegd en voor het overige verwezen naar de in de eerdere procedures overgelegde medische informatie, van onder andere verzekeringsarts R. Foekens en PsyM. Met die informatie is volgens appellante onvoldoende rekening gehouden. Verder heeft zij verzocht om een onafhankelijk psychiater als deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft in alle zaken bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Gelet op wat ter zitting is besproken, gaat het in de gedingen vooral om de vraag of het Uwv een goed beeld heeft gehad van de psychische klachten en de tenniselleboog van appellante, of de ernst van die klachten juist is ingeschat en of in dat verband daarmee voldoende beperkingen zijn aangenomen.

4.2.

Wat appellante in de hoger beroepen heeft aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van wat zij in de eerdere procedures naar voren heeft gebracht en geeft geen reden om van de oordelen van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraken 1 tot en met 3, af te wijken.

Aangevallen uitspraak 1

4.3.

Over bestreden besluit 1 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig en volledig is geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, waaronder informatie van de behandelend sector over de longklachten en de rugklachten, appellante op het spreekuur gezien en haar zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Op basis van alle dossiergegevens en de eigen bevindingen is deze arts tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van een depressieve episode en een somatoforme pijnstoornis. In zijn rapport van 19 september 2014 heeft de verzekeringsarts nog gereageerd op de naderhand ontvangen informatie van de behandelend psychiater

R.R. Ploeger van 11 september 2014. Uit de informatie van psychiater Ploeger blijkt dat appellante sinds december 2013 onder behandeling is, dat als diagnose een pijnstoornis met depressieve klachten is vastgesteld en dat de psychiater alleen medicatie voorschrijft wegens de taalbarrière en het feit dat appellante al bij de POH-GGZ onder begeleiding is. Hierin heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien om het oordeel over de belastbaarheid van appellante te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier eveneens bestudeerd en de in bezwaar overgelegde informatie van Ergatis bij de beoordeling betrokken. Uit het rapport van Ergatis van 6 november 2014 blijkt dat appellante in opdracht van de werkgever is onderzocht door verzekeringsarts R. Foekens, die heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis, eenmalig met vitale kenmerken, rugklachten en een tenniselleboog. Wat betreft de psychische klachten deelt Foekens de mening van de primaire arts dat de beperkingen minder zijn dan appellante ervaart, wel acht hij een urenbeperking van vier uur per dag aanwezig, omdat appellante volgens hem de gelegenheid moet krijgen om weer naar volledige activiteiten toe te groeien. Foekens is verder van oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de tenniselleboog van appellante. De primaire arts heeft volgens hem ten onrechte gesteld dat de klachten aan de arm onderdeel vormen van een pijnsyndroom. Mede op grond van het onderzoek van verzekeringsarts Foekens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast. Voor wat betreft de

tenniselleboog is een extra beperking opgenomen op aspect 4.15 (frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens werk). Een indicatie voor een duurbeperking is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aanwezig. Appellante voldoet niet aan de criteria en uit het rapport van Foekens blijkt dat passiviteit en het vermijden van sociale contacten als contraproductief kan worden beschouwd en juist een depressie kan uitlokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel aanleiding gezien om de werktijden in de FML aan te passen en appellante beperkt te achten op de aspecten 6.1, 6.2, en 6.3 (niet ’s nachts en ’s avonds werken, niet meer dan 8 uur per dag en niet meer dan 40 uur per week werken). In haar rapport van 29 mei 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog gereageerd op de in bezwaar overgelegde informatie van klinisch psycholoog F.H. Borg van 24 november 2014. Uit de informatie van psycholoog Borg blijkt dat appellante in november 2014 eenmalig is gezien en als diagnose chronische depressieve stoornis met pijnklachten is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in voornoemde informatie geen aanleiding gezien om haar standpunt over de belastbaarheid van appellante te wijzigen.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep geen nadere informatie overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv haar klachten op de datum in geding, te weten 30 juni 2014, heeft onderschat. Ook overigens heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar klachten dusdanig van ernst waren dat deze tot verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden. De in hoger beroep overgelegde informatie van PsyM van 18 augustus 2015 en van de huisarts van

23 februari 2016 (waaronder brieven van specialisten) bieden daarvoor geen grond. De gegevens zien niet op de datum in geding. Uit de informatie van PsyM komt naar voren dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis, ernstig, met psychotische kenmerken, recidiverend. In haar rapport van 7 december 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar haar rapport van 2 november 2015, voldoende gemotiveerd waarom de informatie van PsyM haar geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In het bijzonder is daarbij van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt dat de bevindingen van PsyM louter zijn gebaseerd op gegevens die appellante zelf naar voren heeft gebracht. Daar wordt aan toegevoegd dat geen van de artsen die appellante rondom de datum in geding hebben gezien psychotische verschijnselen hebben waargenomen en dat ook de behandelend psychiater, de verzekeringsarts Foekens en de klinisch psycholoog in hun informatie geen melding maken van psychotische verschijnselen. De informatie van de huisarts, waarvan een groot deel reeds bekend was bij het Uwv, levert wat betreft de datum in geding ook geen nieuwe gezichtspunten op. Dat appellante longklachten heeft als gevolg van astma en allergie wordt niet door het Uwv ontkend. Deze klachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals blijkt uit haar rapport van 16 februari 2015, meegenomen in haar oordeel. Als gevolg van deze longklachten gelden voor appellante beperkingen voor stof, rook, gassen en dampen en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML een extra beperking opgenomen op aspect 3.6. In het dossier bevinden zich geen medische stukken waaruit blijkt dat de longklachten ernstig van aard zijn, dan wel dat er aanleiding is om op grond van die klachten een duurbeperking aan te nemen.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML van 16 februari 2015 bestaat er geen aanleiding voor een ander oordeel over de arbeidskundige onderbouwing dan de rechtbank heeft gegeven in rubriek 3.3 van de aangevallen uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

19 februari 2015 en 9 juni 2015 waarin de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante in staat kan worden geacht de geduide functies te verrichten.

Aangevallen uitspraak 2

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake als de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

5.2.

Over bestreden besluit 2 heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig en volledig is geweest. Appellante heeft zich ziek gemeld vanwege een operatie aan haar tenniselleboog. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellante zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. De operatie heeft de klachten aan de elleboog niet weggenomen. Volgens de verzekeringsarts kan appellante haar elleboog weer net zo gebruiken als voor de operatie. Behalve pijnklachten kon de arts bij lichamelijk onderzoek nauwelijks objectiveerbare afwijkingen vaststellen. De psychische klachten passen volgens de verzekeringsarts nog steeds bij een depressieve episode. De huidige beperkingen komen dan ook overeen met de FML van 16 februari 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier eveneens bestudeerd en de in bezwaar overgelegde informatie van PsyM van 18 augustus 2015 en de verkregen informatie van orthopedisch chirurg D.F.M. Pakvis van 16 oktober 2015 in haar oordeel betrokken. Uit de informatie van de orthopeed blijkt dat deze appellante op 2 juni 2015 voor het eerst heeft gezien wegens rugklachten. Oriënterend neurologisch onderzoek liet geen afwijkingen zien, een MRI en een röntgenfoto lieten een beeld zien zoals dat ook al in 2012 was. Uit de informatie van PsyM van 18 augustus 2015 komt naar voren dat er bij appellante sprake is van een depressieve stoornis, ernstig, met psychotische kenmerken, recidiverend. Op grond van alle dossiergegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien om het primaire oordeel niet te onderschrijven.

5.3.

Nu appellante in hoger beroep geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden en appellante ook overigens onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar klachten op de datum in geding, te weten 2 juni 2015, dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden, is er geen aanleiding om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. De vaststelling van de beperkingen en mogelijkheden van appellante is zorgvuldig voorbereid. Voor het aannemen van verdergaande psychische beperkingen is in de aanwezige informatie van PsyM geen steun te vinden. Ook in deze zaak wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in haar inzichtelijke uiteenzetting, zoals neergelegd in de rapporten van 2 november 2015 en 19 februari 2016, dat de bevindingen van PsyM afwijken van de bevindingen van de eerdere behandelaar en deskundigen en dat de diagnose niet door een psychiatrisch onderzoek is onderbouwd en alleen gebaseerd lijkt te zijn op de anamnestische gegevens. Uit de in beroep overgelegde informatie van de huisarts van

23 februari 2016 blijkt evenmin dat bij appellante op of rond de datum in geding sprake was van zodanige klachten dat deze tot verdergaande beperkingen hadden moeten leiden. De gegevens hebben geen betrekking op de datum in geding. Blijkens de relevante gegevens van het journaal van de huisarts wordt op 17 juni 2015 enkel vermeld dat er sprake is van een doorgemaakte tenniselleboog. Uit de door de huisarts bijgevoegde informatie van plastisch chirurg Sluijter van 28 oktober 2015 volgt evenmin dat er redenen zijn om meer beperkingen aan te nemen. Uit die informatie komt naar voren dat er bij appellante sprake is van een carpaal tunnel syndroom (CTS) rechts en dat de klachten, blijkens de anamnese, al vier tot vijf maanden bestaan. De huisarts vermeldt echter pas op 29 september 2015 dat sprake is van pijn en krachtverlies in de rechterduim en dat appellante niks kan vastpakken. De verzekeringsarts kon bij onderzoek op 28 mei 2015 aan de polsen, behoudens gebrekkige kracht, geen bijzonderheden vaststellen. Met een verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na de datum in geding kan in het kader van de onderhavige beoordeling geen rekening worden gehouden.

Aangevallen uitspraak 3

6.1.

In artikel 19aa, eerste lid, van de ZW is bepaald dat een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht heeft op ziekengeld indien de verzekerde:

a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19; en

b. hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

6.2.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, onder a en b, van de ZW blijft na 52 weken ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld bestaan als wordt voldaan aan zowel de onder a als b genoemde vereisten. Uit deze bepaling vloeit eveneens voort dat indien een verzekerde geschikt dient te worden geacht voor zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de ZW, hij geen aanspraak kan maken op ziekengeld. Dit betekent dat het Uwv in het kader van de EZWb in de situatie dat de verzekerde terecht geschikt wordt geacht voor het verrichten van zijn arbeid, met deze toets kan volstaan. De toets of een verzekerde slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, zoals bedoeld in artikel 19aa, eerste lid, onder b, van de ZW, kan dan achterwege blijven.

6.3.

Vastgesteld wordt dat de maatstaf arbeid in dit geval wordt gevormd door de in 2014 in het kader van de WIA-beoordeling aan appellante voorgehouden functies. Nu appellante na 30 juni 2014 niet in enig ander werk heeft hervat, volgt dat moet worden beoordeeld of het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht tot het vervullen van ten minste één van de onder 1.3 genoemde functies.

6.4.

Over bestreden besluit 3 heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig en volledig is geweest. Appellante heeft zich op 1 september 2015 ziek gemeld wegens toegenomen klachten. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellante zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Uit het onderzoek van de verzekeringsarts op 7 september 2016 blijkt dat appellante in april 2016 is geopereerd in verband met CTS-klachten rechts en dat appellante in mei 2016 is geopereerd aan haar duim. Deze verzekeringsarts heeft een nieuwe FML van 12 september 2016 opgesteld en ten opzichte van de eerdere FML van 16 februari 2015 extra beperkingen aangenomen op de aspecten 2.12.1 (aangewezen op werk zonder rechtstreeks contact met klanten) en 3.8 (forse schokken en trillingen dienen vermeden te worden). Blijkens de vervolgrapportage van 14 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts, na overleg met een arbeidsdeskundige, appellante weer geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid, zijnde de eerder geselecteerde WIA-functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht en de door appellante in bezwaar overgelegde medische informatie bij de beoordeling betrokken.

6.5.

Nu appellante in hoger beroep geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden en appellante ook overigens onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar klachten op de datum in geding, te weten 18 oktober 2016, dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden, is er geen aanleiding om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2017 blijkt dat aandacht is besteed aan alle klachten van appellante en dat alle informatie van de behandelend sector op inzichtelijke wijze bij de oordeelsvorming is betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in haar standpunt dat uit de in bezwaar overgelegde informatie van de plastisch chirurgen B.J.R. Sluijter en

G.M. van Couwelaar van 27 oktober 2015, 23 december 2015, 10 februari 2016,

24 februari 2016, 12 april 2016, 12 mei 2016, 21 mei 2016 en 25 mei 2016 over de

CTS-klachten geen noodzaak naar voren komt om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Er is geen contra-indicatie om de handen normaal te gebruiken. Uit de eveneens in bezwaar overgelegde informatie van de huisarts van 3 februari 2017 blijkt dat appellante op

5 december 2016 door de huisarts is gezien wegens pijn aan de rechterelleboog. Uit een door de huisarts bijgevoegd verslag van een echografisch onderzoek op 6 december 2016 blijkt dat het beeld van de rechterelleboog, sinds het vorige onderzoek van appellante op 17 juni 2015, niet is gewijzigd. In haar rapport van 6 februari 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat frequent reiken een toename van klachten kan geven aan de elleboog. Omdat reiken in de maatstaf arbeid, zijnde de eerder geduide WIA-functies, beperkt voorkomt, kan de visie van de primaire arts volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in stand blijven. Uit de in bezwaar overgelegde informatie van PsyM van 1 februari 2017 komt naar voren dat appellante al sinds 7 april 2015 onder behandeling is en de klachten sinds augustus 2015 niet zijn gewijzigd. In dit verband wordt nog gewezen op het rapport van

19 mei 2017 waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar en overtuigend uiteen heeft gezet dat en waarom er, gelet op de in bezwaar overgelegde medische informatie, geen aanleiding is om het ingenomen standpunt over de belastbaarheid van appellante te wijzigen. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt onderschreven. Daarbij wordt opgemerkt dat in de FML van 12 september 2016 rekening is gehouden met een verminderde psychische en lichamelijke belastbaarheid en in verschillende rubrieken, op diverse aspecten, beperkingen zijn aangenomen.

6.6.

Het verzoek van appellante om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen. De onderbouwing van de bestreden besluiten door het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gezien het voorgaande overtuigend. De noodzakelijke twijfel om tot het benoemen van een deskundige over te gaan ontbreekt.

Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante per 30 juni 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA en dat appellante per 2 juni 2015 als per 18 oktober 2016 geen recht heeft op ziekengeld.

7. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

TM