Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
15/8200 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Appellante kan meer dan 65% verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8200 ZW

Datum uitspraak: 4 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

4 november 2015, 14/2384 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gestel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. van der Weert.

Na de behandeling van de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend.

De Raad heeft M.M. Wolff-van der Ven, arts arbeid en gezondheidsverzekeringsarts, als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. Deze heeft op 12 februari 2018 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft zijn zienswijze op het rapport van de deskundige bij brief van 20 februari 2018 naar voren gebracht.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was via Timing Uitzendbureau B.V. werkzaam als productiemedewerker voor gemiddeld 17,95 uur per week, toen zij zich op 25 april 2013 ziek meldde met linker- en rechterschouderklachten. Appelante heeft vervolgens ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

1.2.

In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellante op 6 maart 2014 gezien. Deze arts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van RSI aan beide schouders/bovenarmen. De verzekeringsarts heeft beperkingen voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

6 maart 2014. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 100% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van

21 maart 2014 vastgesteld dat appellante vanaf 25 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 6 augustus 2014 (bestreden besluit), onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van nadere medische gegevens van de behandelaars van appellante de FML gewijzigd. Hij acht een extra beperking aanwezig voor trilbelasting, schroefbeweging met kracht, bovenhandse bewegingen en klimmen. Voorts raadt hij professioneel autorijden niet aan.

1.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 28 juli 2014 appellante met de gewijzigde FML nog steeds in staat geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante als haar opvatting herhaald dat de verzekeringsartsen haar medische beperkingen te laag hebben ingeschat. Zij is van mening dat de door de bedrijfsarts A.T. de Vries op 17 maart 2014 vastgestelde beperkingen meer recht doen aan haar klachten, zoals zij die ervaart. Voorts is zij van mening dat de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van de signaleringen in de functiebelastingen ontoereikend is.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

Gelet op het standpunt van partijen waaruit verschil van inzicht blijkt over de uit de klachten van appellante voortvloeiende beperkingen, zoals enerzijds is vastgesteld door de bedrijfsarts op 17 maart 2014 en anderzijds door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op

11 juli 2014, en op de omstandigheid dat uit de gedingstukken niet een duidelijke verbetering van de gezondheid van appellante naar voren komt, is aanleiding gezien verzekeringsarts Wolff-van der Ven als deskundige te benoemen en haar te verzoeken om op basis van eigen onderzoek en na kennisname van de beschikbare (medische) gegevens een rapport uit te brengen.

4.3.

De deskundige heeft op basis van alle beschikbare medische gegevens en eigen onderzoek op 6 februari 2018 een rapport uitgebracht. Zij is tot de conclusie gekomen dat op de datum in geding, 25 mei 2014, bij appellante sprake was van een chronisch pijnsyndroom van beide schouders en een onschuldige zwelling in de nek. In de rechterschouder was sprake van AC artrose. Gelet op de discrepantie tussen de door appellante beleefde ernst van de ervaren klachten en belemmeringen en het ontbreken van ernstigere afwijkingen heeft de deskundige zich met de in de FML van 11 juli 2014 vastgelegde beperkingen kunnen verenigen. Over het aspect incidentele piekbelasting van tien kilogram per werkdag heeft de deskundige opgemerkt dat vanuit de beschreven milde objectiveerbare onderliggende afwijkingen er geen medische grond is om een incidentele overschrijding van de gestelde vijf kilogram, met een maximum van tien kilogram, niet toe te staan.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante zijn bij de beoordeling betrokken en het rapport is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft een duidelijk antwoord gegeven op de haar gestelde vragen. Dit betekent in dit geval dat ervan wordt uitgegaan dat de FML van 11 juli 2014 een juist beeld geeft van de beperkingen van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML is terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de in beroep door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 september 2014 geselecteerde functies van assistent consultatiebureau, wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur en dokters assistente. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor appellante in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 september 2014 afdoende toegelicht.

4.6.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen ruimte.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.L. Rijnen

RB