Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
17/3494 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb terecht lager vast gesteld en teruggevorderd. Onvoldoende verantwoording. Geen grond voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb van appellant lager vast te stellen. Het Zorgkantoor was bevoegd tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten. Het bestreden besluit is het resultaat van een inhoudelijke heroverweging naar aanleiding van de door appellant bij zijn verzoek om herziening overgelegde stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3494 AWBZ

Datum uitspraak: 4 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 maart 2017, 16/3062 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.E. van den Ing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Voor appellant zijn verschenen zijn vader en mr. Van den Ing. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.P. van Unnik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het Zorgkantoor op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 9.385,80.

1.2.

Omdat geen verantwoording van het pgb is ontvangen over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011, heeft het Zorgkantoor bij besluit van 22 februari 2012 het pgb van appellant voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 9.385,80 aan betaalde voorschotten van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het Zorgkantoor het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet tijdig is ingediend en dat hiervoor geen verschoonbare reden is gegeven.

1.4.

Appellant heeft het Zorgkantoor verzocht om het besluit van 22 februari 2012 te herzien. Bij besluit van 1 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het Zorgkantoor, beslissend op dit verzoek, aanleiding gezien alsnog een bedrag van € 1.989,76 als juist verantwoord te accepteren. Rekening houdend met een verantwoordingsvrij bedrag van € 140,79 wordt het pgb van appellant voor het jaar 2011 nader vastgesteld op € 2.130,55 en wordt dit bedrag op de terugvordering in mindering gebracht. De overige door appellant opgevoerde betalingen zijn volgens het Zorgkantoor niet te herleiden naar de door appellant overgelegde facturen, zodat niet kan worden gecontroleerd of deze betalingen betrekking hebben op de ingekochte zorg in de periode van januari 2011 tot en met juni 2011.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 1 juni 2016 herroepen, het pgb vastgesteld op € 5.071,76, bepaald dat het Zorgkantoor van appellant een bedrag van

€ 4.173,25 mag terugvorderen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank is van oordeel dat de door appellant bij zorgverlener PGZ ingekochte zorg, behoudens twee betalingen van 15 maart 2011 en 23 mei 2011, niet op juiste wijze is verantwoord. De overige betalingen aan PGZ zijn niet te herleiden naar de door appellant overgelegde facturen, zodat niet kan worden gecontroleerd of deze betalingen betrekking hebben op de door appellant ingekochte zorg bij PGZ in de periode van januari 2011 tot en met juni 2011. Appellant heeft verder geen bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat en wanneer hij de betreffende facturen van PGZ over de betreffende periode heeft betaald. Dat uit de stukken van PGZ blijkt dat er van appellant geen facturen meer open staan en dat door PGZ per e-mail is bevestigd dat alle genoemde facturen zijn betaald, laat onverlet dat onduidelijk blijft of (en wanneer) genoemde facturen daadwerkelijk door appellant zijn betaald. De rechtbank is verder van oordeel dat appellant de besteding van het pgb ten aanzien van de ingekochte zorg bij zorgverlener Japara in de periode van 1 januari 2011 tot en met

30 juni 2011 wel op juiste wijze heeft verantwoord.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is geoordeeld dat het Zorgkantoor de verantwoorde bedragen voor de door PGZ verleende zorg op goede gronden niet volledig heeft geaccepteerd. Omdat er ten tijde van de ontvangst van de verschillende facturen niet steeds voldoende liquide middelen waren om deze direct te voldoen, is enkele malen een aantal facturen achteraf ineens betaald (bulkbetalingen). PGZ bleek niet meer in staat aan te geven welke betaling was aangewend ter voldoening van de afzonderlijke facturen. Volgens appellant is een dergelijke nadere administratieve onderbouwing echter niet noodzakelijk om vast te kunnen stellen dat de betreffende facturen door hem zijn betaald. De zorgverlener heeft immers schriftelijk bevestigd dat alle facturen zijn voldaan en bovendien is aangetoond dat er daadwerkelijk giraal geld is overgemaakt naar de zorgverlener.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad, onder verwijzing naar de uitspraak van 23 november 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3131), haar rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Deze nieuwe lijn wordt met onmiddellijke ingang gehanteerd. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek.

4.2.

Het Zorgkantoor heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat het bestreden besluit het resultaat is van een inhoudelijke heroverweging naar aanleiding van de door appellant bij zijn verzoek overgelegde stukken.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa op hem rustende verplichtingen en dat het Zorgkantoor daarom bevoegd was om het pgb over de periode van januari 2011 tot en met juni 2011 lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om de pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.5.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant met de door hem ingebrachte stukken onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de facturen van PGZ daadwerkelijk zijn betaald. Alleen de betalingen van 15 maart 2011 (met omschrijving 20110251) en

23 mei 2011 (met omschrijving 20110698, 20111143, 20111576 en 20110103) kunnen worden herleid tot de overgelegde facturen. Voor de overige betalingen aan PGZ geldt dat niet. Weliswaar is namens PGZ verklaard dat alle facturen zijn voldaan, maar uit de administratie van PGZ en uit de overgelegde debiteurenkaart valt dat niet af te leiden. De betalingen die op de debiteurenkaart vermeld staan, komen niet overeen met de betalingen op de bankafschriften. Het door het Zorgkantoor niet-geaccepteerde deel van de verantwoording kan hieruit dan ook niet worden afgeleid. Dat de administratie van PGZ geen volledig inzicht biedt, komt voor rekening en risico van appellant. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb van appellant lager vast te stellen.

4.6.

Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5, bezien in samenhang met het niet aangevochten oordeel in de aangevallen uitspraak, leidt tot de conclusie dat het Zorgkantoor bevoegd was tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten tot een bedrag van € 4.173,25. Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het Zorgkantoor gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4.7.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Brand, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.P.W. Jongbloed

KS