Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
17/1371 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van de uitspraak van 14 december 2016 afgewezen. In wat verzoeker bij het verzoek om herziening heeft aangevoerd, zijn geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1371 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 december 2016, 15/1175 WIA

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 juli 2018

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 14 december 2016, 15/1175 WIA (ECLI:NL:CRVB:2016:5052).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad onder toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker heeft het Uwv verzocht om hem materiële en immateriële schadevergoeding toe te kennen. Volgens verzoeker heeft hij inkomens- en pensioenschade en psychische schade geleden, omdat het Uwv ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan zijn voormalig werkgever.

1.2.

Bij besluit van 20 maart 2014 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 24 juli 2014 heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 20 maart 2014 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv heeft verzoeker de gestelde schade en het causale verband van die schade met de door het Uwv genomen besluiten onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 3 februari 2015 het beroep van verzoeker tegen het besluit van 24 juli 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de uitspraak van 14 december 2016 is het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat verzoeker zijn stelling dat het Uwv aan zijn voormalig werkgever een loonsanctie had moeten opleggen onvoldoende heeft onderbouwd en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de besluiten over zijn recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen schade heeft geleden.

3.1.

Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Het Uwv heeft ten onrechte vastgesteld dat sprake was van een arbeidsconflict, heeft ten onrechte ontkend dat sprake was van ziekte of gebrek en heeft ten onrechte nagelaten om zijn voormalig werkgever een loonsanctie op te leggen. Hierdoor is het Uwv mede-aansprakelijk voor het ontslag dat op onjuiste gronden is gegeven. Het Uwv is verantwoordelijk voor de financiële schade en de schade aan verzoekers gezondheid. Had het Uwv tijdig vastgesteld dat verzoeker arbeidsongeschikt was, dan had verzoeker niet per

1 maart 2010 ontslagen kunnen worden. Verzoeker heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van € 450.000,- aan geleden schade. Verzoeker heeft bij zijn verzoek om herziening een viertal brieven van [BV] van 5 februari 2008,

15 mei 2008, 10 juli 2008 en 4 november 2009 overgelegd alsmede het ontslagbesluit van

5 februari 2010.

3.2.

Het Uwv heeft op zich op standpunt gesteld dat het verzoek om herziening en de daarop door verzoeker gegeven nadere toelichtingen een herhaling zijn van wat verzoeker in eerdere procedures naar voren heeft gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van

22 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3798) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

4.3.

In wat verzoeker bij het verzoek om herziening heeft aangevoerd, zijn geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. Verzoeker heeft in zijn verzoek – ter onderbouwing van zijn standpunt dat de uitspraak waarvan hij herziening vraagt onjuist is – eerder aangevoerde argumenten herhaald. Die argumenten kunnen, gelet op wat in 4.2 is overwogen, geen doel treffen. Voor zover de overgelegde brieven al niet deel hebben uitgemaakt van de gedingstukken in de procedure bij de rechtbank en het hoger beroep, hadden deze brieven eerder ingediend kunnen worden. De brieven bevatten geen nieuwe feiten of omstandigheden die, waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van

14 december 2016 moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.D.F. de Moor

GdJ