Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
15/7074 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van de eerdere weigering een Wajong-uitkering toe te kennen terecht afgewezen. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van art. 4:6 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7074 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

17 september 2015, 14/8094 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.A.M. Brugman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brugman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Het Uwv heeft vragen beantwoord en nadere stukken overgelegd.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brugman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1995, is bekend met een scoliotische afwijking in de rug met slijtage, prikkelbare darmsyndroom (PDS) en (gewrichts)klachten. Zij heeft op

2 november 2013 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend, die door het Uwv op

12 november 2013 is ontvangen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 januari 2014 de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij in staat is geacht meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 17 juni 2014 heeft appellante (opnieuw) een Wajong-aanvraag ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van

23 januari 2014.

1.3.

Bij besluit van 21 juli 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het besluit van 23 januari 2014 onjuist zou zijn.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juli 2014 is bij besluit van

24 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de aanvraag van 17 juni 2014 aangemerkt als een herhaalde aanvraag, waarbij is beoogd dat wordt teruggekomen van het besluit van 23 januari 2014 met ingang van de datum waarop dat besluit zag. Er zijn

– uiterlijk in de bezwaarfase – geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren gekomen. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd waarom de in bezwaar ingebrachte informatie geen aanleiding geeft om de eerdere beoordeling onjuist te achten. Omdat niet is aangetoond dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante heeft afgeraden bezwaar te maken tegen het besluit van 23 januari 2014 slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Uwv het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat de basis van het bestreden besluit uitsluitend is gelegen in schriftelijke stukken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat wat appellante in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De door appellante in bezwaar gestelde feiten en omstandigheden waren deels al bekend bij het Uwv in het kader van de beoordeling van de aanvraag van

2 november 2013, of hadden al vóór het besluit van 23 januari 2014 kunnen worden aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder navolgbaar gemotiveerd dat de omstandigheid dat appellante is aangewezen op psychologische begeleiding volledig passend is bij de eerdere beoordeling door de verzekeringsarts. Ook is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat uit de door appellante in bezwaar overgelegde informatie niet volgt dat het besluit van 23 januari 2014 onjuist was. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.2.

In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 april 2018 heeft deze arts verwoord dat inmiddels door een behandelaar van appellante als werkdiagnose ADHD, een borderline persoonlijkheidsstoornis en een depressie is genoemd. De ADHD was eind 2017 nog steeds niet aangetoond; daarnaar zou in februari 2018 nader onderzoek worden gedaan. Niettemin heeft deze verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarbij de door appellante genoemde klachten als uitgangspunt zijn genomen en nadere beperkingen aangenomen in verband met de borderline persoonlijkheidsstoornis en ADHD. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 2 mei 2018 op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat met de aldus aangepaste FML de eerder aan het besluit van 23 januari 2014 ten grondslag gelegde functies onveranderd passend zijn. Er zijn geen aanknopingspunten om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

4.3.

In wat appellante heeft aangevoerd, wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.4.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) B. Dogan

RB