Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
16-7235 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking. Niet verblijven op briefadressen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7235 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 oktober 2016, 16/4132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 3 juli 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. M.M. Spooren, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving sinds 11 februari 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Hij woonde in een studentenwoning, die hij na afronding van zijn opleiding moest verlaten. Sinds begin januari 2016 woonde betrokkene daar niet meer.

1.2.

Op 25 januari 2016 heeft betrokkene zich bij de screeningsbalie Bijzondere doelgroepen gemeld om een briefadres aan te vragen, omdat hij geen woning meer had. Daarbij heeft betrokkene twee adressen in Amsterdam opgegeven waar hij doordeweeks een aantal nachten per week tot vijf uur of zes uur ’s ochtends zou verblijven, te weten een adres in de [adres 1] en een adres in de [adres 2] .

1.3.

Naar aanleiding van de melding bij de screeningsbalie heeft de Afdeling Controle van de dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfsituatie van betrokkene. In dat kader hebben twee handhavingsspecialisten op maandag 8 februari 2016 en op dinsdag 9 februari 2016 een bezoek gebracht aan de twee door betrokkene opgegeven verblijfplaatsen. Op beide dagen en op beide adressen werd na herhaaldelijk aanbellen niet gereageerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen aanvraag briefadres van 10 februari 2016.

1.4.

Bij besluit van 16 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2016 (bestreden besluit), heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 februari 2016 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat betrokkene niet is aangetroffen op de door hem opgegeven verblijfplaatsen. Betrokkene heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan appellant het recht op bijstand niet kan vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 16 februari 2016 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat het door appellant verrichte onderzoek en de resultaten daaruit onvoldoende zijn om de conclusie te kunnen dragen dat betrokkene in de te beoordelen periode niet op de door hem opgegeven adressen verbleef. Na het niet hoorbaar aanbellen op het adres [adres 1] had van de handhavingsmedewerkers nader onderzoek mogen worden verwacht, bijvoorbeeld door op de deur te kloppen of door betrokkene mobiel te bellen, teneinde vast te stellen of appellant niet toch op dat adres aanwezig was, zoals door hem is gesteld.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat in dit geval geen nader onderzoek nodig was. Na het niet reageren op aanbellen, hoefden de handhavingsspecialisten niet te kloppen op de deur of betrokkene mobiel te bellen. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene om de deur te openen als wordt aangebeld. Hij had geen opgave gedaan van het feit dat de bel niet werkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 februari 2016 tot en met 16 februari 2016.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Niet in geschil is dat betrokkene heeft opgegeven dat hij op de adressen in de [adres 1] of de [adres 2] zou verblijven. De DWI hanteert, zo valt ook uit de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2863, af te leiden, bij de controle van de verblijfplaatsen de gedragslijn dat slechts in incidentele gevallen naar betrokkenen wordt gebeld, bijvoorbeeld in het geval de bel kapot is van een woning die als verblijfplaats is opgegeven, of als het vriest of stortregent en de opgegeven verblijfplaats zich in een park bevindt.

4.4.

Uit het rapport van 10 februari 2016 blijkt dat twee handhavingsspecialisten van de DWI de door betrokkene opgegeven verblijfsplaatsen hebben bezocht op achtereenvolgens maandag 8 februari 2016 omstreeks 4.43 uur en 4.58 uur en dinsdag 9 februari 2016 omstreeks 4.40 uur en 4.56 uur. Na herhaaldelijk aanbellen op deze adressen, werd niet gereageerd. Bij geen van deze bezoeken hebben de handhavingsspecialisten betrokkene op of in de nabijheid van deze locaties gezien. Niet valt in te zien dat, gelet op de in 4.3 verwoorde gedragslijn en gelet op het feit dat kennelijk geen bijzonderheden zijn gebleken toen betrokkene de twee adressen opgaf, de handhavingsspecialisten nog op de deur hadden moeten kloppen of betrokkene mobiel hadden moeten bellen. Dat op het adres [adres 1] de bel buiten voor de handhavingsspecialisten niet hoorbaar was, maakt dit niet anders, omdat niet in geschil is dat de bel op dat adres gewoon werkte. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) L.V. van Donk

IJ