Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
17-1730 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:431, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering individuele inkomenstoeslag. Uitzicht op inkomensverbetering. Individuele beoordeling. Beleid. Geen redelijke beleidsbepaling. Herstel motiveringsgebrek. Het college hanteert bij de beoordeling van het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering” beleid. Hoewel in zijn algemeenheid ervan kan worden uitgegaan dat bijstandsgerechtigden die een traject naar werk en/of scholing volgen uitzicht hebben op inkomensverbetering, dient ook in die gevallen een beoordeling plaats te vinden van de individuele omstandigheden van die betrokkene. Nu uit het beleid van het college niet volgt dat een dergelijke individuele beoordeling van het uitzicht op inkomensverbetering bij degenen die zo’n traject volgen volledig wordt gemaakt, gaat dit beleid in zoverre een redelijke beleidsbepaling te buiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/237 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
JWWB 2018/199
Gst. 2019/8 met annotatie van H. van Deutekom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1730 PW

Datum uitspraak: 3 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 januari 2017, 16/4643 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Klein Hesselink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018. Voor appellante is

mr. Klein Hesselink verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 3 oktober 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Uit een plan van aanpak van 1 november 2015 volgt dat onder meer bemiddeling en jobhunting door het werkservicepunt wordt ingezet als instrument om de re-integratie van appellante op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen.

1.3.

Op 4 december 2015 heeft appellante een individuele inkomenstoeslag aangevraagd. Bij besluit van 21 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2016

(bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante zicht heeft op inkomensverbetering vanwege het deelnemen aan een traject gericht op arbeidstoeleiding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de PW kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.

In het tweede lid is bepaald dat tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval worden gerekend:

a. de krachten en bekwaamheden van de persoon; en

b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

4.2.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36.

Op grond van het tweede lid van diezelfde bepaling hebben de regels, voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

4.3.

De gemeenteraad van Terneuzen heeft ter uitvoering van het bepaalde in artikel 36 van de PW de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Terneuzen (Verordening) vastgesteld. In artikel 5 van de Verordening is bepaald dat het college ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels kan vaststellen.

4.4.

Het college heeft per 1 januari 2015 de “Bijzondere Bijstand 2015 BELEIDSREGELS” (beleidsregels) vastgesteld. Artikel 7 van de beleidsregels ziet op de individuele inkomenstoeslag en daarin is onder meer het volgende bepaald:

“[..] Een toeslag wordt niet verstrekt aan personen die uitzicht hebben op inkomensverbetering of een goed arbeidsmarktperspectief hebben. Dit betekent dat uitkeringsgerechtigden met een traject naar werk en/of scholing niet in aanmerking komen voor een toeslag.[..] Mensen die langdurig een traject naar werk hebben kunnen op individuele gronden een individuele inkomenstoeslag krijgen. Dit betekent dat de consulent toetst of de betrokkene buiten zijn schuld er langere tijd niet in geslaagd is uit te stromen naar werk.[..].”

4.5.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college terecht de individuele inkomenstoeslag heeft geweigerd op de grond dat appellante niet voldoet aan het criterium dat zij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat het enkele feit dat iemand deelneemt aan een traject gericht op arbeidsre-integratie niet per definitie betekent dat zicht bestaat op inkomensverbetering. Het college heeft geen individuele beoordeling verricht, maar voor een categoriale benadering gekozen, wat in strijd is met de verplichting iedere aanvraag te beoordelen op grond van een op de persoon van de aanvrager toegespitst onderzoek. Appellante heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van 9 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3023.

4.7.

Uit de onder 4.6 genoemde uitspraak van de Raad volgt dat iedere aanvraag om langdurigheidstoeslag moet worden beoordeeld op grond van een op de persoon van de aanvrager toegespitst onderzoek naar het uitzicht op inkomensverbetering. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, zie de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1825, is artikel 36 van de PW naar inhoud en strekking nagenoeg gelijkluidend aan het tot 1 januari 2015 geldende artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB) waarin de langdurigheidstoeslag was geregeld. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Kamerstukken II, 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 22 en 23) is vermeld dat de categoriale langdurigheidstoeslag is omgevormd tot een individuele inkomenstoeslag voor personen tot de AOW-gerechtigde leeftijd die langdurig van een laag inkomen rond moeten zien te komen en gelet op hun individuele omstandigheden geen zicht hebben op verbetering van het inkomen. Daarbij is het volgende opgemerkt:

“(…) De regering is van mening dat de beoordeling of er al dan niet sprake is van «zicht op inkomensverbetering» door het college aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval moet plaatsvinden. (…). Hiertoe heeft de regering ervoor gekozen om in de bijstand op te nemen welke individuele omstandigheden de colleges in ieder geval in de beoordeling van het recht op een individuele inkomenstoeslag, moeten betrekken. Het betreft hier de krachten en bekwaamheden van de desbetreffende persoon, alsmede de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Aan de hand van mede deze weging van de individuele omstandigheden, stelt het college vast of de betreffende persoon naar het oordeel van het college al dan niet «zicht op inkomensverbetering» heeft en recht heeft op een individuele inkomenstoeslag. (..) Omdat de individuele toeslag een beoordeling van de individuele omstandigheden van de belanghebbende door het college vergt, is er – net als bij de verlening van individuele bijzondere bijstand – voor gekozen om het nieuwe artikel 36 WWB te formuleren als een «kan-bepaling» (...).”

Uit de genoemde uitspraak van 16 mei 2017 volgt dat, gelet op deze toelichting, de in artikel 36, eerste lid, van de PW neergelegde bevoegdheid van het college met name ziet op het in aanmerking nemen van de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager bij de beoordeling van het hebben van uitzicht op inkomensverbetering.

4.8.

Het college hanteert bij de beoordeling van het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering” het beleid zoals verwoord onder 4.4. Hoewel in zijn algemeenheid ervan kan worden uitgegaan dat bijstandsgerechtigden die een traject naar werk en/of scholing volgen uitzicht hebben op inkomensverbetering, dient ook in die gevallen een beoordeling plaats te vinden van de individuele omstandigheden van die betrokkene. Nu uit het onder 4.4 opgenomen beleid van het college niet volgt dat een dergelijke individuele beoordeling van het uitzicht op inkomensverbetering bij degenen die zo’n traject volgen volledig wordt gemaakt, gaat dit beleid in zoverre een redelijke beleidsbepaling te buiten. In zoverre slaagt het onder 4.6 weergegeven betoog van appellante.

4.9.

Omdat het college bij het bestreden besluit aan de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wegens het uitzicht hebben op inkomensverbetering uitsluitend het volgen van een traject naar arbeid onder verwijzing naar het beleid ten grondslag heeft gelegd, kleeft aan dit besluit, gelet op wat onder 4.8 is overwogen, een motiveringsgebrek. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit gebrek in de besluitvorming te passeren omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook indien het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.10.

Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen, heeft het college de individuele omstandigheden van appellante wel beoordeeld. Daarbij is de rapportage arbeidsdeskundige van 9 november 2015 (rapportage) van belang, waarnaar het college ook in het verweerschrift in hoger beroep heeft verwezen. Uit deze rapportage blijkt dat appellante in de periode van juni 2011 tot juni 2012 uit de bijstand was door inkomen uit arbeid. Vanaf november 2012 ontving appellante weer bijstand en in december 2013 heeft het college haar aangemeld voor begeleiding richting reguliere arbeid door middel van jobhunting. In januari 2015 is zij door de jobhunter aangemeld voor de LRT-training. De vermelding in de rapportage dat belanghebbende moeilijk bemiddelbaar is, ziet blijkens de tekst ervan op de periode voorafgaande aan de aanmelding voor de LRT-training. Uit deze vermelding kan, anders dan appellante heeft betoogd, dan ook niet worden afgeleid dat zij ten tijde van de aanvraag om individuele inkomenstoeslag geen uitzicht had op inkomensverbetering. Uit de rapportage volgt dat op dat moment consensus bestond tussen de consulent en appellante over mogelijkheden op betaalde arbeid en dat appellante - onder meer na het volgen van de LRT-training - over voldoende bekwaamheden beschikte om betaalde arbeid te verkrijgen.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar krachten en bekwaamheden en de inspanningen die zij heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen, niet voldoet aan het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering”. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden weegt het gegeven dat appellante al jarenlang aan allerlei projecten heeft meegenomen zonder dat dit heeft geleid tot uitstroom uit de bijstand, anders dan zij heeft betoogd, niet zodanig zwaar dat het college hieruit de conclusie had moeten trekken dat appellante geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) L.V. van Donk

IJ