Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
16-7105 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebruik maken van bankrekening (schoon)ouders. Redelijkerwijs kunnen beschikken over saldo. Beperkingen over gebruik niet vast komen te staan. Omvang financiële ondersteuning niet precies vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7105 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2016, 15/6976 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 3 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.G. Eckhardt, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eckhardt. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn en K. van der Klift.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met ingang van 5 december 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellante was met ingang van februari 2015 werkzaam als oproepkracht. De inkomsten uit arbeid van appellante zijn aan de hand van de salarisstroken en op grond van de maandelijkse periodieke verklaringen van appellanten op de bijstand in mindering gebracht.

1.3.

In het kader van een periodiek heronderzoek heeft een medewerker Inkomen van Werk en Inkomen Lekstroom (medewerker) appellanten bij brief van 5 maart 2015 verzocht om vóór 19 maart 2015 enkele gegevens in te leveren. Nadat appellanten de gevraagde gegevens niet hadden ingeleverd, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 16 april 2015 het recht op bijstand met ingang van 19 maart 2015 opgeschort en appellanten een hersteltermijn geboden om de gevraagde stukken alsnog vóór 23 april 2015 in te leveren. Appellanten hebben de gevraagde stukken vervolgens eind april 2015 ingeleverd. Na een periode van ongeveer twee maanden na het opschortingsbesluit, waarin geen bijstand was uitbetaald, hebben appellanten contact opgenomen met Werk en Inkomen Lekstroom. Appellant heeft, op de vraag hoe appellanten de afgelopen maanden zijn rondgekomen zonder bijstand, per e-mail van 15 juni 2015 geantwoord dat zij financieel worden ondersteund door zijn schoonouders, onder meer door het betalen van rekeningen en dat zij mogen gebruik maken van de bankrekening van de schoonouders voor het doen van boodschappen.

1.4.

Om inzicht te krijgen in de financiële bijdrage van de (schoon)ouders heeft de medewerker appellant uitgenodigd voor een gesprek op 6 juli 2015. Tijdens het gesprek heeft appellant tegenover de medewerker en een collega van Werk en Inkomen Lekstroom onder meer verklaard dat zijn schoonouders elke maand de zorgverzekering van appellante betalen, dat appellanten beschikken over een bankpas met pasnummer [nummer 1] (bankpas), behorend bij de op naam van de (schoon)ouders gestelde bankrekening eindigend op [nummer 2] (bankrekening), en dat zij met deze bankpas ongeveer € 100,- per maand voor levensonderhoud pinnen. Tijdens het gesprek heeft de medewerker een kopie gemaakt van de bankpas.

1.5.

Na dit gesprek hebben appellanten, op verzoek en voor zover hier van belang, bankafschriften van de bankrekening overgelegd over de periode van 8 november 2014 tot en met 8 juni 2015. Daaruit is naar voren gekomen dat in de periode van december 2014 tot en met mei 2015 maandelijks bedragen variërend van in totaal € 515,28 tot € 1.020,33 met de bankpas van de bankrekening zijn gepind, maandelijks bedragen op de bankrekening werden bijgeschreven en gestort variërend van in totaal € 3.421,93 tot € 6.682,85 en appellante maandelijks een bedrag van € 300,- van haar ouders op haar bankrekening ontving.

1.6.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 7 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2015 (bestreden besluit) en voor zover hier van belang, de bijstand van appellanten met ingang van 5 december 2014 in te trekken. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden, als gevolg waarvan zij over de periode februari tot en met mei 2015 ten onrechte bijstand hebben ontvangen en het recht op bijstand overigens niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het de intrekking betreft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 5 december 2014 tot en met 7 september 2015.

4.2.

In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de PW is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de maanden december 2014 tot en met mei 2015 de in 1.5 bedoelde bedragen zijn gepind van, dan wel bijgeschreven/gestort op de bankrekening en dat appellante maandelijks € 300,- van haar ouders ontving. Ook is niet in geschil dat appellanten hiervan bij het dagelijks bestuur geen melding hebben gemaakt.

4.4.1.

Appellanten hebben betwist dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij voeren daartoe aan dat zij ten tijde van de aanvraag al duidelijk hebben gemeld dat zij financieel worden ondersteund door de (schoon)ouders en de wijze waarop. Dit wordt volgens appellanten bevestigd door stukken in het dossier en een verklaring van de schoonouders. Appellanten hebben ten tijde van de aanvraag ook aan een medewerker van de gemeente [woonplaats] kenbaar gemaakt dat zij beschikten over de bankpas van de (schoon)ouders. Van die bankpas is toen een kopie gemaakt die vervolgens aan het dossier is toegevoegd. Het had op de weg van die medewerker gelegen appellanten er op te wijzen dat de financiële situatie voorafgaand aan de toekenning van algemene bijstand, na toekenning van de bijstand niet langer kon blijven bestaan.

4.4.2.

De vraag of appellanten ten tijde van de aanvraag hebben meegedeeld of hebben beoogd mee te delen dat de financiële ondersteuning die de (schoon)ouders in de periode voorafgaande aan de melding en de aanvraag om bijstand aan hen verleenden, zou worden voortgezet tijdens de periode van bijstandverlening, kan in het midden blijven. Appellanten hebben immers noch ten tijde van de aanvraag noch nadien de omvang van de financiële ondersteuning door de (schoon)ouders geconcretiseerd. Daarbij is van belang dat de omvang van de middelen op de bankrekening en de omvang van het gebruik van de bankpas behorende bij deze rekening per maand wisselden. Uit de gedingstukken komt verder naar voren dat appellanten ten tijde van de aanvraag, maar ook nadien, uitdrukkelijk zijn geïnformeerd over hun uit de bijstandverlening voortvloeiende verplichtingen. Gelet hierop moet het appellanten niet alleen redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de door de (schoon)ouders ontvangen financiële ondersteuning van invloed kon zijn op (de omvang van) hun recht op bijstand, maar ook, dat het dagelijks bestuur hoe dan ook niet over alle benodigde gegevens beschikte om dit recht op bijstand vast te stellen. Appellanten hadden, gelet op de op hen rustende inlichtingenverplichting, een eigen verantwoordelijkheid om het dagelijks bestuur, bijvoorbeeld door middel van de maandelijkse periodieke verklaringen, in kennis te stellen van de precieze omvang van de beschikbare middelen en de financiële ondersteuning. Door dit na te laten hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan appellanten hebben gesteld, lag het om die reden niet op de weg van het dagelijks bestuur appellanten er uitdrukkelijk op te wijzen dat de financiële ondersteuning door de (schoon)ouders na bijstandverlening niet kon blijven voortbestaan.

4.5.1.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat zij niet de beschikking hebben gehad over de volledige tegoeden van de bankrekening. Zij stellen hiervan slechts beperkt gebruik te hebben gemaakt, te weten voor de noodzakelijke boodschappen.

4.5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11 van de PW, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.5.3.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat brengt mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De bankrekening was niet (mede) op naam van (een van) appellanten gesteld. Echter, onder omstandigheden kan het feitelijk gebruik van een bankrekening door een betrokkene, ook indien die bankrekening niet op zijn naam is gesteld, leiden tot het oordeel dat die betrokkene redelijkerwijs over de tegoeden op die rekening kon beschikken (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2010, CLI:NL:CRVB:2010:BN7848). Die situatie doet zich hier voor. Appellant heeft in zijn e-mailbericht van 15 juni 2015, alsook tijdens het gesprek op 6 juli 2015 verklaard dat appellanten de bankpas konden gebruiken en hebben gebruikt om te voorzien in hun dagelijks levensonderhoud, wat wordt bevestigd door de overgelegde bankafschriften. Bovendien is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet komen vast te staan dat aan het gebruik van de bankpas voor appellanten beperkingen waren verbonden. Op grond van deze omstandigheden moet worden aangenomen dat appellanten redelijkerwijs konden beschikken over alle middelen op de bankrekening. Appellanten zijn er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Zij hebben nagelaten met concrete en verifieerbare stukken te onderbouwen dat zij niet over alle op de bankrekening ontvangen bedragen konden beschikken. De door appellanten in hoger beroep betrokken stelling, dat ook de moeder van appellante incidenteel gebruik heeft gemaakt van de bankpas, leidt niet tot een andere conclusie. Nog daargelaten dat appellanten het gebruik van de bankpas door de moeder van appellante, noch de omvang van dat gebruik, nader hebben onderbouwd, staat deze omstandigheid er immers niet aan in de weg dat appellanten over de volledige tegoeden en de middelen uit bijschrijvingen en stortingen op deze bankrekening konden beschikken. Het betoog van appellanten dat zij slechts beperkt gebruik hebben gemaakt van de bankpas, betekent evenmin dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij niet konden beschikken over de middelen die op de bankrekening werden ontvangen.

4.6.

Tot slot slaagt ook de beroepsgrond van appellanten, dat de ontvangen financiële ondersteuning leningen betreffen die zij moeten terugbetalen wanneer dat mogelijk is, niet. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW immers niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden in een situatie als deze periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juni 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:2249).

4.7.

Uit 4.4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en G.M.G. Hink en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) F. Dinleyici

ew