Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
16/5023 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm op bijstand van bij moeder inwonende zoon. Mede huurde is geen huurder waarop uitzondering kostendelersnorm ziet. Geen zakelijke relatie tussen bewoners onderling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/46
RSV 2018/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5023 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 juli 2016, 15/3220 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak: 9 januari 2018

PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld, een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade gedaan en stukken overgelegd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Namens appellant is

mr. Brauer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Aydogan.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 17 december 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Hij heeft zijn hoofdverblijf in dezelfde woning als zijn moeder op het adres [adres] (uitkeringsadres). Appellant en zijn moeder zijn beiden vanwege medische omstandigheden zorgbehoevend en zij verzorgen elkaar. De moeder van appellant ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Bij besluit van 30 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college appellant meegedeeld dat vanaf 1 januari 2015 de PW op hem van toepassing is en dat dit voor hem betekent dat met ingang van 1 juli 2015 de hoogte van zijn bijstand met toepassing van artikel 22a, eerste lid, van de PW wordt vastgesteld op € 686,31 per maand, zijnde 50% van de norm voor gehuwden. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant een kosten delende medebewoner heeft op zijn adres. Ondanks de aangevoerde omstandigheden dat appellant en zijn moeder diverse medische klachten hebben en zij zorg dragen voor elkaar, is de kostendelersnorm op hem van toepassing. Appellant valt niet onder de uitzonderingsbepalingen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de kostendelersnorm ingevoerd. In deze zaak is de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016 van toepassing. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt, behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm.

4.3.

Appellant voert aan dat zijn moeder ten onrechte is meegeteld voor de kostendelersnorm omdat sprake is van een commerciële huurovereenkomst tussen hem en zijn moeder. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroepsgrond in hoger beroep een brief van

30 januari 2014 overgelegd van een woonconsulent van woningcorporatie [woningcorporatie] aan de moeder van appellant.

4.3.1.

Artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de PW luidde tot 1 januari 2016 als volgt:
“Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend:

c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger.”

In het vijfde lid is bepaald dat de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b of onderdeel c, overlegt en de betaling van de commerciële prijs aantoont door het overleggen van de bewijzen van betaling.

4.3.2.

In de onder 4.3 vermelde brief van de woonconsulent is vermeld dat is besloten appellant aan te merken als medehuurder van de woning op het uitkeringsadres, onder de voorwaarde dat de moeder van appellant hoofdhuurder blijft. In de brief wordt met nadruk erop gewezen dat bij vrijwillig vertrek of overlijden van de hoofdhuurder de medehuurder een verzoek dient te richten tot [woningcorporatie] om eventueel hoofdhuurder te kunnen worden. Anders dan appellant betoogt, moet onder het begrip “huurder” in de onder 4.3.1 genoemde bepaling niet mede worden verstaan de “medehuurder” in de zin van artikel 267 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de aard van het medehuren volgt dat de medehuurder geen overeenkomst heeft als bedoeld in 4.3.1. De verhuurder heeft immers niet met iedere bewoner afzonderlijk een afspraak gemaakt over de te betalen huur. Er is sprake van een huurovereenkomst, waarbij de bewoner en medebewoner hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, zoals het betalen van de maandelijkse huurprijs. De bewoners hebben in dit geval geen individueel contract met de verhuurder. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat tussen de bewoners onderling sprake is van een zakelijke relatie, waarop de in 4.3.1 genoemde uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm ziet (vergelijk de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:947).

4.3.3.

Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de PW opgenomen vereisten voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling. Het college heeft de moeder van appellant daarom terecht meegeteld voor de toepassing van de kostendelersnorm.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte zijn bijstand niet heeft afgestemd op grond van artikel 18 van de PW in verband met de extra medische kosten die hij en zijn moeder hebben. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat de extra medische kosten zien op de eigen bijdrage aan het CAK, tot een bedrag van € 23,- per maand.

4.4.1.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de PW, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2494).

4.4.2.

Voor het college bestond, gelet op wat appellant heeft aangevoerd, geen grond om in zijn geval met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand af te stemmen. De eigen bijdrage aan het CAK van € 23,- per maand betreft een zodanig klein bedrag, dat geen sprake is van een zeer bijzondere situatie als onder 4.4.1 bedoeld.
4.5. Appellant heeft een beroep gedaan op het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) beschermde recht op ongestoord eigendom.

4.5.1.

Artikel 1 van het EP luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

4.5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2155) is bij de beëindiging of intrekking van een bijstandsuitkering het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 van het EP in het geding. Bij een verlaging van een bijstandsuitkering is dit niet anders, zodat die verlaging aan die bepaling kan worden getoetst. Nu moet worden aangenomen dat sprake is van inmenging in het eigendomsrecht van appellant, moet acht worden geslagen op de uitleg die het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in zijn rechtspraak aan artikel 1 van het EP geeft. Daarbij dient allereerst beoordeeld te worden of de inmenging bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht (“fair balance”) is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging in het eigendomsrecht een buitensporig zware last (“an individual and excessive burden”) moet dragen. Zie het arrest van het EHRM van

15 september 2009, nr. 18176/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1208JUD0018176/05, r.o. 62-64).

4.5.3.

Niet in geschil is dat met de invoering van de kostendelersnorm in artikel 22a van de PW een inmenging heeft plaatsgevonden in het recht van appellant op een ongestoord genot van zijn eigendom als bedoeld in de eerste zin van artikel 1 van het EP en dat de inmenging in het eigendomsrecht door bij bijstandsverlening toepassing te geven aan de kostendelersnorm bij wet is voorzien en dat daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt.

4.5.4.

Wat appellant naar voren heeft gebracht over zijn financiële situatie, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat in zijn geval sprake is van een buitensporig zware last. Het college heeft terecht gesteld dat de inkomsten van appellant en zijn moeder tezamen uitkomen op een bedrag dat hoger is dan de gehuwdennorm in de zin van de PW, waarbij appellant in ieder geval 50% van de gehuwdennorm ontvangt. Voorts heeft appellant ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door de verlaging van de bijstand in de financiële problemen is geraakt of zal geraken. Het door appellant opgestelde overzicht van alle lasten en inkomsten die hij en zijn moeder hebben, waarbij appellant de helft van de totale kosten voor zijn rekening neemt, is daartoe ontoereikend. Geen grond bestaat dan ook voor het oordeel dat de toepassing van de kostendelersnorm in de situatie van appellant in strijd is met artikel 1 van het EP.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat de wetgever de kostendelersnorm niet heeft ingevoerd in de AOW. Hierdoor is sprake van een niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling tussen personen die zijn aangewezen op een basisinkomen. Appellant beroept zich op strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.6.1.

De Raad stelt voorop dat een beroep op een verdragsrechtelijk discriminatieverbod als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. In dit geval kan niet gesproken worden van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, nu sprake is van wetten met verschillende doelstellingen, waardoor ze in die zin verschillen dat de PW een voorziening is en de AOW een volksverzekering. Daarnaast is het in beginsel aan de wetgever om algemene en individuele belangen tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan een regeling in het leven te roepen. In dit verband is van belang dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de PW blijkt dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de kostendelersnorm gelijktijdig in de PW en de AOW zou worden ingevoerd. De kostendelersnorm is evenwel voor de AOW buiten toepassing gelaten. Daarvoor achtte de wetgever redengevend dat een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een voorziening (WWB) en een volksverzekering (AOW) (zie uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3386). Het standpunt van appellant dat de reden voor het afzien van de kostendelersnorm in de AOW is gelegen in de omstandigheid dat AOW-gerechtigden vaak hulpbehoevend zijn en dat appellant dat ook is, maakt het voorgaande, gelet op dit fundamentele onderscheid, niet anders. De beroepsgrond van appellant slaagt niet.

4.7.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat met het toepassen van de kostendelersnorm een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op privé- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hij stelt in dit verband dat hij door toepassing van de kostendelersnorm minder te besteden heeft en daardoor minder kan bijdragen in de kosten, waardoor de verhouding met zijn moeder onder druk komt te staan. Met zijn moeder valt namelijk niet te praten over de financiële gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat appellant zijn stelling dat de verhouding met zijn moeder onder druk komt te staan aldus onvoldoende heeft onderbouwd.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat onder deze omstandigheden geen ruimte, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Dinleyici

IJ