Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
17/1424 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen grond voor het oordeel dat het college appellante ten onrechte geen financiële tegemoetkoming voor de aanschaf en het gebruik van een rolstoelbus heeft verstrekt. Het college is bevoegd om de passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 te beperken tot de lokale vervoersbehoefte van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/195
USZ 2018/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1424 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 februari 2017, 16/968 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen (college)

Datum uitspraak: 27 juni 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar vader, [naam vader] , hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Voor appellante is [naam vader] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Houten en I.F. Verberne-de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is ernstig lichamelijk gehandicapt en volledig rolstoelafhankelijk. Daarnaast is bij appellante sprake van ernstige gedragsproblematiek.

1.2.

Appellante heeft op 25 november 2014 bij het college een aanvraag gedaan om een rolstoelbus en een vergoeding van de kosten daarvan ingediend.

1.3.

Bij besluit van 28 januari 2015 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat de gevraagde voorziening niet de goedkoopst adequate is. Wel is aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een financiële tegemoetkoming voor individueel rolstoelvervoer met begeleiding voor de periode van 1 december 2014 tot 1 januari 2016 verstrekt. Deze tegemoetkoming bedraagt maximaal € 6.240,- en wordt op declaratiebasis verstrekt. Dit bedrag is gebaseerd op de kosten voor maximaal 2000 kilometer per jaar. Het college heeft verder meegedeeld dat appellante de keuze heeft om de tegemoetkoming in te zetten voor de kosten van het gebruik van de eigen bus of voor individueel rolstoelvervoer via een vervoerder. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 3 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten en de tegemoetkoming verhoogd tot een bedrag van € 12.000 voor de periode van 1 december 2014 tot en met 31 december 2016. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante gelet op een medisch advies van Argonaut van 5 juni 2014 in staat is om gebruik te maken van individueel rolstoelvervoer via een taxibedrijf. Dat appellante niet om kan gaan met een vreemde chauffeur heeft het college oplosbaar geacht, met name omdat zij vaste begeleiding heeft die om kan gaan met haar gedrag. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat de gevraagde voorziening niet de goedkoopst adequate is, omdat appellante met een vaste begeleider gebruik kan maken van een individuele rolstoeltaxi.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat individueel vervoer in een rolstoelbus van een taxibedrijf voor haar niet geschikt is, omdat zij gezien haar beperkingen is aangewezen op vervoer door een vaste chauffeur. De Raad volgt appellante hierin niet. In het medisch advies van 5 juni 2014 van Argonaut heeft de medisch adviseur geconcludeerd dat er gelet op de aard van de medische problematiek een noodzaak is voor individueel rolstoelvervoer met begeleiding maar niet dat daarbij ook een vaste chauffeur noodzakelijk is. Het medisch advies is tot stand gekomen na beoordeling van medische informatie en na een huisbezoek waarbij de medisch adviseur het lichamelijk en psychisch functioneren van appellante heeft geobserveerd. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat dit advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dit advies niet concludent of anderszins onjuist is. Appellante heeft ook geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat aan de juistheid of volledigheid van dit medisch advies moet worden getwijfeld.

4.2.

Ook in wat appellante verder heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college haar ten onrechte geen financiële tegemoetkoming voor de aanschaf en het gebruik van een rolstoelbus heeft verstrekt. Dat appellante niet zelf in de kosten van een rolstoelbus kan voorzien, betekent niet dat het college daarin moet voorzien. Overigens is ter zitting gebleken dat inmiddels voor € 31.000,- een rolstoelbus is aangeschaft. Het college heeft in reactie daarop meegedeeld dat appellante de vanaf 1 december 2014 toegekende en nog toe te kennen financiële tegemoetkomingen, op declaratiebasis, mag inzetten voor deze aanschafkosten, alsmede voor de kosten van het gebruik van de bus.

4.3.

Het betoog van appellante dat een voorziening voor maximaal 2000 kilometer per jaar gelet op haar bovenregionale vervoersbehoefte onvoldoende is, slaagt niet. Het college is bevoegd om de passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 te beperken tot de lokale vervoersbehoefte van appellante. In het verlengde van wat de Raad heeft geoordeeld onder de WMO en de daaraan voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is het college bevoegd om de passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 te beperken tot het lokaal vervoer.

4.4.

De beroepsgrond van appellante dat aan haar bij het bestreden besluit een financiële tegemoetkoming tot een bedrag van € 25.000,- is verstrekt, slaagt evenmin. Weliswaar wordt dat bedrag in het bestreden besluit onder “Beslissing” genoemd, maar dit berust naar het oordeel van de Raad op een kennelijke verschrijving. In het bestreden besluit wordt onder “Heroverweging” immers duidelijk vermeld dat het toegekende bedrag over de periode van

1 december 2014 tot en met 31 december 2016 € 12.000,- bedraagt en daarbij is ook uiteengezet hoe dit bedrag is berekend.

4.5.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.P.W. Jongbloed

RB