Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2018
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
17/2111 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging toegekende vervoersvoorziening van een financiële tegemoetkoming in een pgb. Zorgvuldig, volledig en juist onderzoek van het college naar de vervoersbehoefte van appellante. Het college heeft vastgesteld dat appellante een noodzakelijke vervoersbehoefte van maximaal 2.250 kilometer per jaar heeft, wat bij een vergoeding van € 0,19 per kilometer neerkomt op een bedrag van € 427,- per jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2111 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 februari 2017, 16/1891 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal (college)

Datum uitspraak: 27 juni 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J.C. Woltering.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1966, is bekend met mobiliteitsbeperkingen. Zij beschikt over een eigen auto.

1.2.

Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 1 maart 2010 een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van haar (eigen) auto toegekend van € 1.080,52 per jaar. Bij besluit van 20 juli 2012 heeft het college deze vervoersvoorziening voortgezet.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2015 heeft het college appellante meegedeeld dat per 1 januari 2015 de vorm van de aan haar toegekende vervoersvoorziening is gewijzigd van een financiële tegemoetkoming in een persoonsgebonden budget (pgb). Het college heeft hierbij de hoogte van het pgb van appellante per 1 augustus 2015 vastgesteld op € 427,- per jaar. Verder heeft het college bepaald dat appellante met ingang van 1 augustus 2015 een bijdrage verschuldigd is in de kosten voor deze vervoersvoorziening.

1.4.

Bij besluit van 28 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2015 ongegrond verklaard. De hoogte van het pgb is gebaseerd op een vervoersbehoefte van 2.250 kilometer per jaar en een vergoeding van € 0,19 per kilometer. Er is geen aanleiding om van een grotere te compenseren vervoersbehoefte uit te gaan. Het college heeft aan de verstrekking van het pgb geen kwaliteits- en verantwoordingseisen verbonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten om het onderzoek van het college naar de vervoersbehoefte van appellante onzorgvuldig, onvolledig of onjuist te achten. Het college heeft vastgesteld dat appellante een noodzakelijke vervoersbehoefte van maximaal 2.250 kilometer per jaar heeft, wat bij een vergoeding van € 0,19 per kilometer neerkomt op een bedrag van € 427,- per jaar. Appellante heeft niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd dat haar lokale vervoersbehoefte groter is dan 2.250 kilometer per jaar. Dat de familie van appellante in het Gooi woont, maakt dit niet anders, nu de compensatieplicht van het college alleen betrekking heeft op het zich lokaal verplaatsen en niet aannemelijk is dat als appellante deze familie niet kan bezoeken, zij in een toestand van sociaal isolement of vervreemding zal raken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college dient zowel de lokale als de bovenregionale vervoersbehoefte te compenseren. Uitgaande van de lokale en bovenregionale vervoersbehoefte van appellante, bestaande uit het bezoeken van familie, vrienden en artsen, boodschappen doen en vrijwilligerswerk, is een maatwerkvoorziening gebaseerd op 2.250 kilometer per jaar onvoldoende om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Appellante was hierover graag met het college in gesprek gegaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), voor zover hier van belang, definieert:

- een maatwerkvoorziening als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van de zelfredzaamheid en de participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer en;

- een pgb als een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken.

4.1.2.

Artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In de verordening wordt in ieder geval bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

4.1.3.

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college ervoor zorgdraagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

4.1.4.

Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het college betrekt daarbij – onder meer – de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt.

4.1.5.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.1.6.

In artikel 2.3.6, eerste lid, is bepaald dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

4.1.7.

Artikel 2.6.2, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, namens het college de betalingen uitvoert ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer.

4.1.8.

Artikel 8.9, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de Wmo wordt ingetrokken, onverminderd de rechten en verplichtingen die onmiddellijk voor het tijdstip waarop artikel 2.1.1 in werking is getreden, voor betrokkene zijn verbonden aan een met toepassing van de Wmo door het college genomen besluit waarbij aanspraak is verstrekt op een individuele voorziening in natura of het ontvangen van een persoonsgebonden budget dan wel een financiële tegemoetkoming. Artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.

4.2.

De gemeenteraad van Groesbeek heeft uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groesbeek 2015 (Verordening).

4.2.1.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening, voor zover hier van belang, komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.2.2.

In artikel 11, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat het college een pgb verstrekt in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. Ingevolge het negende lid kan het college in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

4.3.

Ter uitvoering van onder meer artikel 11, negende lid, van de Verordening heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Groesbeek het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en nadere regels Jeugdhulp gemeente Groesbeek 2015 (Besluit) vastgesteld.

4.3.1.

Artikel 1, onder d, van het Besluit definieert eenmalig pgb als een pgb dat niet is bestemd voor dienstverlening, maar voor een (vervoers)hulpmiddel, een vervoerskostenvoorziening of een woningaanpassing. Dit pgb wordt door de gemeente uitbetaald en niet door de Sociale verzekeringsbank (Svb) middels trekkingsrecht.

4.3.2.

In artikel 8.3, eerste lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat ingeval een eenmalig pgb wordt verstrekt voor gebruik van een (eigen) auto, de hoogte daarvan afhankelijk is van de feitelijke vervoersbehoefte waarbij wordt uitgegaan van een maximale vervoersbehoefte van 2.250 kilometer per jaar. In het tweede lid is bepaald dat het eenmalig pgb dat wordt verstrekt voor gebruik van een (eigen) auto € 0,19 per kilometer bedraagt. In het vijfde lid is bepaald dat een hoger eenmalig pgb kan worden verstrekt wanneer wordt vastgesteld dat de aannemelijke vervoersbehoefte, die nodig is om maatschappelijk te participeren, groter is dan 2.250 kilometer per jaar.

4.4.

In paragraaf 2.5.12 van de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Groesbeek 2015 (Beleidsregels) is omschreven dat een maatwerkvoorziening bedoeld is om zich lokaal te verplaatsen. Het gaat om de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.

4.5.

Ter zitting van de Raad heeft het college toegelicht dat met het besluit van 27 februari 2015 de onder de Wmo toegekende financiële tegemoetkoming is ingetrokken en dat op grond van artikel 8.3 van het Besluit een maatwerkvoorziening in de vorm van een eenmalig pgb voor het gebruik van een (eigen) auto is verstrekt. Aanleiding voor dit besluit is dat de gemeenten Millingen aan de Rijn, Ubbergen en Groesbeek per 1 januari 2015 zijn samengevoegd tot de gemeente Berg en Dal en dat in deze gemeente de Verordening, het Besluit en de Beleidsregels van toepassing zijn.

4.6.

Het in artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht houdt in dat onder de Wmo toegekende individuele voorzieningen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien de bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde regels daartoe aanleiding geven (zie onder meer de uitspraken van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403, en 7 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:398).

4.7.

Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat geen pgb als bedoeld in de artikelen 1.1.1 en 2.3.6 van de Wmo 2015 aan appellante is verstrekt. Het aan appellante verstrekte eenmalig pgb wordt jaarlijks verstrekt en hieraan verbindt het college geen kwaliteits- en verantwoordingseisen. De Raad is van oordeel dat, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, het college hiermee aan appellante een financiële maatwerkvoorziening heeft verstrekt en geen pgb als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. De Raad heeft daarbij meegewogen dat geen kwaliteits- en verantwoordingseisen gelden en dat de Svb niet bij de realisering van het pgb is betrokken. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en ECLI:NL:CRVB:2018:396, is het verstrekken van een financiële maatwerkvoorziening mogelijk onder de Wmo 2015.

4.8.

Tussen partijen is enkel in geschil of het college met de aan appellante verstrekte financiële maatwerkvoorziening waarbij is uitgegaan van een lokale feitelijke vervoersbehoefte van 2.250 kilometer per jaar een passende bijdrage levert aan een situatie waarin appellante in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie.

4.9.

De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college mocht uitgaan van een noodzakelijke lokale vervoersbehoefte van appellante van 2.250 kilometer per jaar. De Raad onderschrijft dit oordeel en de overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd. Ook in hoger beroep heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat van een hogere lokale vervoersbehoefte uitgegaan zou moeten worden. Hierbij acht de Raad van belang dat appellante in beroep, onderbouwd aan de hand van de kilometerstand van haar auto, heeft verklaard dat zij jaarlijks gemiddeld 16.000 kilometer met de auto rijdt. In hoger beroep heeft zij deze kilometers gespecificeerd en verklaard dat zij jaarlijks in totaal 14.396 kilometer met de auto rijdt om vrienden en familie buiten de regio (Purmerend, Eemnes, Hilversum, Baarn en Apeldoorn) te bezoeken. Hieruit volgt dat appellante jaarlijks gemiddeld 1.604 kilometer (16.000 kilometer minus 14.396 kilometer) lokaal met de auto rijdt. Derhalve is appellante met de door het college verstrekte financiële maatwerkvoorziening die voorziet in een lokale feitelijke vervoersbehoefte van 2.250 kilometer per jaar niet tekort gedaan. De Raad heeft meegewogen dat appellante, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, een deel van de kilometers die zij lokaal met de auto rijdt, aflegt in het kader van cliëntbezoeken en mogelijk onderdeel zijn van haar vrijwilligerswerk voor de gemeente. Voor zover dit het geval is, wijst de Raad op zijn rechtspraak zoals neergelegd in zijn uitspraak van 18 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4037.

4.10.

Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, heeft het college zich bij de invulling van de op hem ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 rustende verplichting mogen beperken tot de lokale vervoersbehoefte van appellante. In het verlengde van hetgeen de Raad heeft geoordeeld onder de Wmo en de daaraan voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is het college bevoegd om de passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 te beperken tot het lokaal vervoer.

4.11.

Het voorgaande betekent dat het college de onder de Wmo toegekende financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een (eigen) auto heeft mogen intrekken op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015. Verder heeft het college terecht een financiële maatwerkvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte van 2.250 kilometer per jaar aan appellante vertrekt. Uit 4.7 vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. Nu appellante door dit motiveringsgebrek materieel niet is benadeeld, bestaat aanleiding dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

5. Gelet op het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden voor bevestiging in aanmerking.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2018.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) N. Veenstra

sg