Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
16/6667 WAJONG-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanvraag van appellante is op 21 mei 2015 door het Uwv ontvangen. Geen ruimte voor beoordeling van de aanvraag aan de hand van de Wajong 1998 en de Wajong 2010. Terechte beoordeling op grond van de bepalingen van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. Van bijzondere omstandigheid niet gebleken. Beoordelingskader Uwv. Stappenplan. Uit de overwegingen volgt dat de inschatting die de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben gemaakt over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante kunnen ontwikkelen, onvoldoende is onderbouwd. Het Uwv had moeten onderzoeken op welke wijze de ingezette behandeling van invloed is en met welke concrete resultaten op de mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en de mogelijkheden tot toename van bekwaamheden van appellante als bedoeld bij stap 3 van het stappenplan. Bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Opdracht aan Uwv om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/279 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6667 WAJONG-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 september 2016, 16/962 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 juni 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.Th.G. Hegge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2017. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaken met kenmerk 16/4481, 16/5444 en 16/6639. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hegge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. van Hilten, mr. P.C.P. Veldman, drs. W.C. Otto en drs. A.E. Feij. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1991, heeft met een op 21 mei 2015 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag ingediend om ondersteuning op grond van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) wegens psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 augustus 2015 de aanvraag afgewezen, omdat op de 18e verjaardag van appellante geen sprake is van beperkingen in de belastbaarheid.

1.2.

In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht. Op grond van verkregen informatie van de behandelaars van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 16 februari 2016 geconcludeerd dat bij appellante sprake is van PTSS, die al voor het 18e jaar aanwezig moet zijn geweest en van een scheefgroei van de persoonlijkheidsontwikkeling, die al in de kindertijd is begonnen. Op basis van de beschikbare gegevens heeft zij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op

1 augustus 2009, kort na de studie van appellante. Wat de beperkingen op dat moment waren is niet duidelijk. In 2013 is de gezondheidssituatie van appellante verslechterd, waardoor de problematiek van dien aard is geworden dat appellante vanaf maart 2013 niet meer in staat was om een uur aaneengesloten te werken en voor vier uur per dag belast te worden. Er is geen sprake van een progressief ziektebeeld en ook geen sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na onderzoek in haar rapport van 25 februari 2016 geconcludeerd dat appellante op 1 augustus 2009 over arbeidsvermogen beschikte. Vanaf 1 maart 2013 kan zij geen taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie en beschikt zij niet over basale werknemersvaardigheden. Vanaf die datum beschikt zij niet meer over arbeidsvermogen, maar kan zij dit wel ontwikkelen. Onder verwijzing naar deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 29 februari 2016 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard, omdat er voor appellante geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellante terecht heeft beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong 2015. De rechtbank heeft vervolgens de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gehandhaafd dat zij sinds 1 augustus 2009 duurzaam en blijvend geen werkzaamheden in reguliere arbeid heeft kunnen uitoefenen en daarom recht heeft op een Wajong-uitkering. Zij heeft herhaald dat het Uwv ten onrechte de Wajong 2015 heeft toegepast. Zij meent primair dat haar aanvraag had moeten worden getoetst aan de Wajong 1998, omdat op haar achttiende verjaardag en de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag de Wajong 1998 van kracht was. Subsidiair meent appellante dat haar aanvraag getoetst had moeten worden aan de Wajong 2010, omdat op het moment van verslechtering, 1 maart 2013, de Wajong 2010 van kracht was. In elk geval had het Uwv wegens bijzondere omstandigheden in het kader van de redelijkheid en de billijkheid de toepassing van de Wajong 2015 achterwege moeten laten. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zij ook op grond van de criteria van de Wajong 2015 recht heeft op een Wajong-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toepasselijk recht

4.1.1.

Bij de Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong 1998 met ingang van

1 januari 2010 gewijzigd en is per die datum de Wajong 2010 in werking getreden. De bepalingen van de Wajong 1998 zijn daarbij ondergebracht in hoofdstuk 3 van de Wajong 2010. In artikel 3:6 van de Wajong 2010 is bepaald dat de jonggehandicapte geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 als hij zijn aanvraag voor het eerst heeft ingediend op of na 1 januari 2010.

4.1.2.

Bij de Wet van 3 december 2014 (Stb. 2014, 495) is de Wajong 2010 met ingang van

1 januari 2015 gewijzigd en is per die datum de Wajong 2015 in werking getreden. Na hoofdstuk 1 van de Wajong 2010 is een hoofdstuk 1A ingevoegd en is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wajong 2010. In artikel 2:15, tweede lid, van de Wajong 2015 is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 ontstaat op de dag dat aan alle voorwaarden wordt voldaan maar niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, ontstaat in afwijking van het tweede lid het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend, indien de jonggehandicapte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning als bedoeld in hoofdstuk 2 niet ontstaat, als dit zou ingaan op of na 1 januari 2015.

4.1.3.

De aanvraag van appellante is op 21 mei 2015 door het Uwv ontvangen. Uit 4.1.1 en 4.1.2 volgt dat er geen ruimte is voor beoordeling van de aanvraag aan de hand van de Wajong 1998 en de Wajong 2010. Er is in dit geval niet gebleken van een bijzondere omstandigheid, die moet leiden tot het buiten toepassing laten van de in 4.1.1 en 4.1.2 genoemde, dwingendrechtelijke bepalingen. Het Uwv heeft dan ook de aanvraag van appellante terecht beoordeeld op grond van de bepalingen van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.

Wettelijk kader Wajong 2015

4.2.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef, van de Wajong 2015 is jonggehandicapte (onder a) de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; (onder b) na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij op eerdergenoemde dag beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Op grond van het zesde lid wordt de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

4.2.2.

Op grond van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong 2015 ontstaat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 1 van de Wajong 2015 op de dag, waarop de aanvraag werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene achttien jaar wordt.

4.2.3.

Met ingang van 1 januari 2015 is op grond van het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014, 359) (Besluit van 8 oktober 2014) ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast. Op grond van artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit, voor zover hier van belang, heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Op grond van het derde lid kunnen bij ministeriële regeling met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.

4.2.4.

Voor het recht op uitkering op grond van de Wajong 2015 moet het Uwv dus beoordelen of de betrokkene aan (ten minste) een van de vier in het eerste lid van artikel 1a van het Schattingsbesluit genoemde voorwaarden voldoet. Is dat het geval dan moet het Uwv beoordelen of deze situatie duurzaam is als bedoeld in artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong 2015. Nadere regels als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van het Schattingsbesluit – ter beoordeling van de vraag of de betrokkene aan een van de vier in het eerste lid genoemde voorwaarden voldoet – zijn niet gesteld. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit van

8 oktober 2014 (p. 5 e.v.) staat de term ‘mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ gelijk aan het begrip ‘arbeidsvermogen’. Arbeidsvermogen is het vermogen van een individu om doelgerichte handelingen in een arbeidsorganisatie te verrichten die resulteren in producten of diensten die een economische waarde hebben, waarmee wordt bedoeld dat een werkgever bereid is loon te betalen voor een verrichte taak. Verder blijkt uit de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 dat het duurzaam niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie betekent dat de mogelijkheden noch door medisch herstel noch door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren.

Het kader van het Uwv

4.3.1.

Het Uwv heeft ten behoeve van de beoordeling van het arbeidsvermogen de methode sociaal-medische beoordeling van arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld, waarmee het arbeidsvermogen van de betrokkene kan worden geanalyseerd. Bij deze beoordeling staat centraal de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ (ICF). De ICF biedt een denkmodel en een terminologie die kunnen helpen de betrokkene in beeld te brengen en de eventuele problemen te beschrijven die de betrokkenen ervaren in hun functioneren. Als kennis- en beoordelingsondersteunend instrument maakt het Uwv daarbij gebruik van het Methode Ondersteunend Instrument (MOI). Het MOI bevat veel voorkomende relaties tussen activiteiten en participatie waarmee mogelijke knelpunten in werk en werkomgeving zichtbaar kunnen worden gemaakt.

4.3.2.

Voor het toepassen van de methode SMBA heeft het Uwv het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) vastgesteld. Volgens het voorwoord betreft het Compendium een werkinstructie of naslagwerk en is het primair geschreven voor de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die de sociaal-medische beoordelingen doen voor de Participatiewet. In het Compendium is de toelichting op de vier voorwaarden en de wijze waarop het Uwv deze voorwaarden toetst in aparte hoofdstukken uitgewerkt. In Bijlage 1 van het Compendium wordt het begrip duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen behandeld en is een beoordelingskader opgenomen. Het doel van het beoordelingskader is het geven van criteria voor het beoordelen van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen ten behoeve van beoordelingen voor de Wajong 2015. Volgens de inleiding is het beoordelingskader een hulpmiddel voor de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om te kunnen bepalen of er al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

4.3.3.

In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen:

Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld. Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

  • -

    er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

  • -

    de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.

De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen:

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

  • -

    het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

  • -

    het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

  • -

    het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

4.3.4.

Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

4.3.5.

Aan het Uwv kan niet de mogelijkheid worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak een ondersteunend systeem en methode vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. De in het Compendium gegeven toelichting op de vier voorwaarden en het begrip duurzaamheid is een uitwerking van de toelichting op deze voorwaarden en het begrip duurzaamheid uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II, 2011/12, 33 161, blz. 34 e.v. Hoofdstuk 5.1) en uit de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 (p. 6 e.v.). Dit systeem is in de externe functie ervan niet meer dan een hulpmiddel om een besluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken. Het is vervolgens aan de bestuursrechter de vraag te beantwoorden of het Uwv met toepassing van de SMBA-methode, de daarbij ondersteunende systemen en de in het Compendium opgenomen werkinstructie in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of de gehanteerde werkwijze heeft gevoerd tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming.

4.3.6.

Bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen gaat het om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.

4.3.7.

De Raad acht het ten behoeve van een zorgvuldige en transparante besluitvorming verder aangewezen dat de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige het stappenplan van het beoordelingskader volgen bij hun onderzoek naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Toepassing in het voorliggende geding

4.4.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong 2015, ligt in de eerste plaats ter beoordeling voor of voor appellante op 21 mei 2015, de dag waarop het Uwv haar Wajongaanvraag heeft ontvangen, recht is ontstaan op een uitkering ingevolge hoofdstuk 1 van de Wajong 2015. Daarvoor is bepalend of appellante is aan te merken als jonggehandicapte. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op de vier voorwaarden van het eerste lid van artikel 1a van het Schattingsbesluit, appellante in ieder geval vanaf

1 maart 2013, dus ook op 21 mei 2015, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Gelet op artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong 2015, moet voor het ontstaan van het recht op uitkering op 21 mei 2015 ook vaststaan dat appellante in een situatie verkeert waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.4.2.

Over het kunnen ontwikkelen van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 16 februari 2016 het volgende overwogen: “Aangenomen mag worden dat verbetering mogelijk is. Er is geen sprake van een progressief ziektebeeld. Er is ook geen sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Verbetering kan nog wel geruime tijd op zich laten wachten omdat voordat aan de daadwerkelijke behandeling toegekomen kan worden, er eerst een werkrelatie met cliënte opgebouwd moet worden en er voor gezorgd moet worden dat zij een veilige woonsituatie krijgt”. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er nog behandelmogelijkheden zijn.

4.4.3.

Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt echter niet hoe en op welke wijze de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante door behandeling kunnen ontwikkelen. Veeleer valt uit het rapport op te maken dat de vraag of en zo ja, welke ontwikkelingsmogelijkheden er zijn, nog niet kan worden beantwoord. In de informatie van de behandelend psychiater, waarop de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met name is gebaseerd, wordt over de huidige behandeling van appellante bij GGZ toegelicht dat als eerste aandacht besteed wordt aan het opbouwen van een werkrelatie en dat wordt beoogd een veilige situatie voor appellante te creëren door het vinden van een veilige woonsituatie. Vanuit deze veilige situatie kan verdere opbouw van een werkrelatie en behandeling van de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek opgepakt worden, aldus de behandelaar. Ook uit deze toelichting valt niet op te maken op welke wijze de behandeling bijdraagt aan verbetering van de belastbaarheid (de voorwaarden c en d) of ertoe bijdraagt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante kunnen ontwikkelen. Dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen wordt dat verbetering van de belastbaarheid mogelijk is, is dan ook een algemene conclusie die niet is gebaseerd op een op de medische situatie van appellante toegespitste beoordeling op de datum hier in geding.

4.4.4.

Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van

25 februari 2016 geconcludeerd dat appellante niet meer over arbeidsvermogen beschikt, maar dat zij nog wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kan ontwikkelen. Uit dit rapport volgt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep haar conclusie heeft gebaseerd op de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volstaan is met de veronderstelling dat, als appellante kan starten met een behandeling, er ook aandacht kan zijn voor het ontwikkelen van basale vaardigheden en dat, wanneer appellante haar leven weer op de rit heeft, zij haar opleidings(capaciteiten) kan gebruiken om zich verder te bekwamen richting werk. Een onderbouwing over hoe en op welke wijze de behandeling bij GGZ of een andere behandeling van invloed is op de ontwikkeling van de mogelijkheden van appellante om op enig moment in de toekomst een taak te kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie (voorwaarde a) en over basale werknemersvaardigheden te kunnen beschikken (voorwaarde b) ontbreekt.

4.4.5.

Dit klemt temeer omdat appellante bekend is met een zeer belaste voorgeschiedenis, al in haar jonge jaren behandeld is bij GGZ wegens hechtingsproblemen en sinds 2007 depressieve klachten heeft ontwikkeld, terwijl in 2013 de diagnose complexe PTSS, chronisch, gecombineerd met een persoonlijkheidsstoornis NAO met overwegend borderline kenmerken is gesteld. De chronische PTSS en scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling is, zoals ook door het Uwv wordt aangenomen, in de kindertijd begonnen. In de vroege jeugd was volgens de behandelend psychiater al sprake van onveilige hechting en ernstige repeterende traumatisering. Daarnaast is sinds de dag dat appellante 18 jaar werd en de door het Uwv arbitrair vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 augustus 2009 al geruime tijd verstreken op de datum in geding.

4.4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de inschatting die de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben gemaakt over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante kunnen ontwikkelen, onvoldoende is onderbouwd. Het Uwv had moeten onderzoeken op welke wijze de ingezette behandeling van invloed is en met welke concrete resultaten op de mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en de mogelijkheden tot toename van bekwaamheden van appellante als bedoeld bij stap 3 van het stappenplan. Door dit na te laten is onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit is dan ook in strijd te achten met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb en het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.4.7.

Aanleiding bestaat om met toepassing artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 29 februari 2016 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) H. Achtot

TM