Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
16/6970 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Terecht geweigerd om terug te komen van het eerder genomen besluit omdat uit onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. 2) Terecht WAO-uitkering geweigerd. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6970 ZW, 16/6971 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 september 2016, 16/2343 en 16/2347 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2017. Voor appellant is verschenen mr. Van Geffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als parkeerwachter toen hij zich voor dit werk op 15 januari 2003 heeft ziekgemeld met psychische klachten. Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 17 oktober 2003 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij per die datum geschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid in de functie van parkeerwachter. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

1.2.

Bij brief van 4 augustus 2014 heeft appellant het Uwv verzocht om het besluit van

28 oktober 2003 te herzien op basis van nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Bij het verzoek is verwezen naar een psychiatrische expertise van 20 juni 2014 die is verricht door psychiater J. Benckhuijsen, die de diagnose recidiverende depressieve stoornis heeft gesteld. Tevens heeft appellant het Uwv verzocht om zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) na 17 oktober 2003 te beoordelen.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2015 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 28 oktober 2003 omdat uit onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het genomen besluit onjuist zou zijn. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2015, waarbij de medische kaart van de verzekeringsarts van 17 oktober 2003 is ingebracht, is bij besluit van 22 februari 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2016 ten grondslag.

1.4.

Bij besluit van 29 april 2015 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 14 januari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij per 17 oktober 2003 in het kader van de Ziektewet (ZW) terecht hersteld is verklaard en daarmee dus niet de zogenoemde wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2015 is bij besluit van 22 februari 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en beide bestreden besluiten vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts, zoals blijkt uit de medische kaart van 17 oktober 2003, heeft geconcludeerd dat er geen medische gronden zijn waardoor appellant niet zou kunnen werken. Er zijn geen beperkingen, noch is er sprake van ziekte. Appellant heeft problemen in de privésfeer, maar dat is geen grond voor aanspraak op de ziekengeld. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de door psychiater Benckhuijsen gestelde diagnose recidiverende depressieve stoornis een nieuw gebleken feit, nu hij daarmee constateert dat er een ziekte is die mogelijk de klachten zou kunnen objectiveren. Op basis van deze diagnose had het Uwv het verzoek om terug te komen van het besluit van

17 (lees: 23) oktober 2003 niet mogen afwijzen op de grond dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd.

2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 15 februari 2016 en 19 mei 2016 op basis van dossieronderzoek als diagnose heeft gesteld een obsessief-compulsieve stoornis en middelenmisbruik. Uit geen van de aanwezige en verkregen gegevens komt naar voren dat er bij voortduring sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis. Er worden door appellant recidiverende obsessief-compulsieve klachten en depressieve klachten genoemd die nimmer hebben geleid tot intensieve en/of langdurige therapie. Er zijn geen aanwijzingen voor nieuwe medische feiten die zien op

17 oktober 2003 en niet is gebleken dat het ziektebeeld van appellant op 17 oktober 2003 onjuist zou zijn ingeschat. Ook is gebleken dat het rapport van psychiater Benckhuijsen feitelijk inhoudelijk bij de beoordeling is betrokken en dat daarin geen aanleiding is gevonden om te concluderen dat appellant op 17 oktober 2003 dusdanige beperkingen had dat hij niet in staat zou zijn om zijn arbeid te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan deze bevindingen te twijfelen, zodat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 geheel in stand zijn gelaten.

2.3.

Omdat het Uwv ter motivering van het bestreden besluit 2 slechts heeft verwezen naar het ontbreken van aanspraak op ziekengeld in het kader van de ZW, is dit besluit volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. In het in beroep ingebrachte rapport van 13 mei 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter geconcludeerd dat op basis van alle medische stukken is gebleken dat appellant de voorgeschreven wachttijd niet heeft volbracht omdat hij in deze periode niet 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is gebleken van een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare gegevens, waarmee het bestreden besluit 2, zij het pas in beroep, op een voldoende medische grondslag berust, zodat ook de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand moeten blijven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het rapport van psychiater Benckhuijsen heeft beoordeeld, nog niet betekent dat deze verzekeringsarts tot een juist oordeel is gekomen ten aanzien van de beperkingen van appellant op en na 17 oktober 2003. De verzekeringsarts is destijds uitgegaan van een situatie waarin geen sprake was van ziekte, maar van problemen in de privésfeer, die niet leidden tot objectiveerbare beperkingen. De verzekeringsarts heeft melding gemaakt van slaapproblemen, verminderde concentratie en piekeren. Nu is op grond van het rapport van Benckhuijsen, die dezelfde problematiek beschrijft als de verzekeringsarts in 2003, duidelijk geworden dat appellant leed (en lijdt) aan een psychiatrische stoornis en dat de door hem ervaren problemen wel degelijk een medische oorzaak hadden. Omdat de rechtbank volgens appellant geen oordeel heeft mogen geven zonder de inschakeling van een deskundige, heeft appellant de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ten slotte heeft appellant verzocht om het Uwv te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente over de achterstallige betalingen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat het ziektebeeld van appellant op 17 oktober 2003 door het Uwv onjuist is ingeschat. Het rapport van psychiater Benckhuijsen is inhoudelijk door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken en bevat onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de verzekeringsartsen onvoldoende zouden hebben onderkend of appellant op 17 oktober 2003 dusdanige beperkingen had dat hij niet in staat zou zijn om zijn arbeid te verrichten. Wat appellant in hoger beroep daartegen heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van zijn gronden in beroep, die door de rechtbank afdoende zijn besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.2.

Daar wordt nog het volgende aan toegevoegd. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die zijn stelling kan ondersteunen dat hij op

17 oktober 2003 niet geschikt zou zijn om zijn maatgevende arbeid te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 december 2016 bovendien inzichtelijk gemotiveerd dat vaststaat dat bij appellant sprake is van persoonlijkheidsproblematiek, maar dat dit niet betekent dat er dus sprake is van ziekte op een bepaald moment waarbij zij erop heeft gewezen dat de verzekeringsarts destijds geen ziekte verschijnselen of psychopathalogie heeft genoemd. Verder vermeldt zij dat het rapport van Benckhuijsen waar appellant naar verwijst is opgesteld in 2014 en niet is opgemaakt in het kader van de ZW-beoordeling in 2003, maar ziet op zijn beperkingen tijdens een aantal jaren daarvoor, rond het 17e en 18e levensjaar. Psychiater Benckhuijsen noemt op grond van dezelfde problematiek die ook door de verzekeringsarts in 2003 is genoemd, dat appellant klachten heeft als gevolg van recidiverende depressies. Tussen de episodes is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van herstel tot het niveau van oorspronkelijk functioneren. Psychiater Benckhuijsen heeft verder te kennen gegeven dat vanwege het gebrek aan gedetailleerde informatie, de ernst van de klachten niet goed te classificeren is. Daarom stelt hij dat rond het 17e en 18e jaar mogelijk, vermoedelijk of waarschijnlijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Hieruit volgt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat nog veel onduidelijkheid bestaat over de aard en de ernst van de afwijkingen rond 17 oktober 2003. Appellant is er niet in geslaagd om de twijfel rond deze onduidelijkheid met medische stukken weg te nemen. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat om het besluit van 28 oktober 2003 te herzien.

4.3.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat de weigering om appellant per

14 januari 2014 een WAO-uitkering toe te kennen, uiteindelijk is gestoeld op een voldoende zelfstandige beoordeling en dat het bestreden besluit 2 daarmee op een voldoende medische grondslag berust.

4.4.

Geconcludeerd wordt dat wat appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is voor twijfel aan de juistheid van de standpunten van het Uwv. Er bestaan daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. Daarbij wordt overwogen dat appellant voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om de standpunten van het Uwv te betwisten, waarbij wordt meegewogen dat het een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betreft die ziet op een datum die meer dan tien jaar in het verleden ligt. In dat kader wordt ook van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het rapport van psychiater Benckhuijsen inzichtelijk bij de beoordeling heeft betrokken. De omstandigheid dat appellant het niet eens is met de conclusies van het Uwv, is eveneens onvoldoende om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

4.5.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4.6.

Omdat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten 1 en 2 in stand blijven is er geen aanleiding voor een schadevergoeding. Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

HD