Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
21-06-2018
Zaaknummer
16/7573 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aard en inhoud van de besluiten die betrekking hebben op individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015 voor [naam echtgenoot] en voor appellante had voor het college overigens aanleiding dienen te zijn bij de gemachtigde van [naam echtgenoot] te informeren of [naam echtgenoot] beoogde bezwaar te maken tegen de beslissing die was gericht tot zijn echtgenote of dat beoogd werd dat de echtgenote zelf bezwaar maakte. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. Ter zitting heeft het college erkend dat de geschetste gang van zaken niet correct is verlopen jegens appellante. Het college heeft ter zitting toegezegd dat alsnog inhoudelijk naar het bezwaar gericht tegen het besluit dat zich richt tot appellante zal worden gekeken, waarbij het college heeft aangetekend dat dit niet betekent dat dit leidt tot een voor appellante gunstige uitkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 25 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
22 november 2016, 16/1519 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante), wettelijk vertegenwoordigd door [naam]

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van der Maal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Namens appellante is
mr. D.M. Schipper verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N.M.H.A. van Hirtum.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het college heeft een nadere reactie en stukken ingediend. Appellante heeft een nadere reactie ingediend.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft bij besluit van 17 december 2015 aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met ingang van 1 oktober 2015 individuele begeleiding verstrekt voor 12 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.2.

Bij besluit van 5 april 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 december 2015 niet‑ontvankelijk verklaard wegens een niet‑verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het besluit van 17 december 2015 op dezelfde dag is verzonden en dat de bezwaartermijn liep tot en met 28 januari 2016. Het college heeft het bezwaarschrift van appellante op 2 februari 2016 ontvangen, dus na afloop van de bezwaartermijn. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat haar bezwaarschrift tijdig is bezorgd. De rechtbank heeft het standpunt van het college onderschreven dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

3.1.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar bewindvoerder twee bezwaarschriften heeft ingediend, namelijk één voor haar echtgenoot [naam echtgenoot] en één voor haarzelf. Deze bezwaarschriften moeten naar haar mening beide op 30 december 2015 zijn ontvangen.

3.2.

Het college heeft aangevoerd dat het op 30 december 2015 twee bezwaarschriften heeft ontvangen van [naam echtgenoot] . Bij het ene bezwaarschrift van 23 december 2015 zat een kopie gevoegd van een besluit van 16 december 2015 gericht aan [naam echtgenoot] . Bij het andere bezwaarschrift van 23 december 2015 zat een kopie gevoegd van het besluit van 17 december 2015 gericht aan appellante. Aangezien beide bezwaarschriften vermelden dat het bezwaar maakt tegen het besluit inzake [naam echtgenoot] , heeft het college één bezwaar ingeboekt, namelijk dat van [naam echtgenoot] .

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college op 30 december 2015 twee bezwaarschriften heeft ontvangen in twee aparte enveloppen. Uit de door het college in hoger beroep ingezonden stukken blijkt dat twee identieke bezwaarschriften namens [naam echtgenoot] zijn ingediend. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb waren bij beide bezwaarschriften een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking had gevoegd. Zoals vermeld in 3.2 was bij het ene bezwaarschrift gevoegd een besluit gericht tot [naam echtgenoot] . Bij het andere bezwaarschrift was gevoegd het besluit gericht tot appellante. Dit brengt in ieder geval met zich dat sprake was van twee bezwaarschriften van [naam echtgenoot] , zodat ten onrechte slechts één bezwaar door het college is ingeboekt. De aard en inhoud van de besluiten die betrekking hebben op individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015 voor [naam echtgenoot] en voor appellante had voor het college overigens aanleiding dienen te zijn bij de gemachtigde van [naam echtgenoot] te informeren of [naam echtgenoot] beoogde bezwaar te maken tegen de beslissing die was gericht tot zijn echtgenote of dat beoogd werd dat de echtgenote zelf bezwaar maakte. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend.

4.2.

Ter zitting heeft het college erkend dat de geschetste gang van zaken niet correct is verlopen jegens appellante. Het college heeft ter zitting toegezegd dat alsnog inhoudelijk naar het bezwaar gericht tegen het besluit dat zich richt tot appellante zal worden gekeken, waarbij het college heeft aangetekend dat dit niet betekent dat dit leidt tot een voor appellante gunstige uitkomst. Daarop is het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen een nieuw besluit op vorenbedoeld bezwaar te nemen. Het college heeft vervolgens geweigerd een nieuw besluit te nemen. In zijn brief van 13 februari 2018 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat aan appellante ook over de periode van
1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 individuele begeleiding is verstrekt in de vorm van een pgb. Het college heeft evenwel geen kopie van een besluit aan de Raad gezonden waaruit deze verstrekking blijkt. Overgelegd is een brief die ziet op het bezwaar van

[naam echtgenoot] ter zake van zijn aanvraag.

4.3.

Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad beschikt niet over voldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien en zal daarom het college opdragen om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

4.4.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

4.5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 5 april 2016;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, uiterlijk zes weken na deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten aan appellante tot een bedrag van in totaal € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.H. Budde

RB