Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
16/1377 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Militair invaliditeitspensioen ten onrechte berekend naar een mate van invaliditeit van 35%. Ter zitting is namens de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij thans, in afwijking van het bestreden besluit, van mening is dat de mate van invaliditeit moet worden vastgesteld op 38,33%. Geen twijfel aan de vastgestelde mate van de beperkingen, gelet op de gegeven toelichtingen en bezien in het licht van de beschikbare medische informatie. De Raad vernietigt het bestreden besluit en stelt de mate van invaliditeit vast op 38,33% uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 39%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1377 MPW

Datum uitspraak: 18 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 januari 2016, 15/5924 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Appellant is in 1994-1995 uitgezonden geweest naar het voormalig Joegoslavië. Op verzoek van appellant heeft de staatssecretaris bij besluit van 31 maart 2005 een militair invaliditeitspensioen aan appellant toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 30%, vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis waarvoor dienstverband is aanvaard. Appellant lijdt tevens aan een chronisch vermoeidheidssyndroom, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en persoonlijkheidsproblematiek die nog niet nader te duiden is. Voor deze aandoeningen is geen dienstverband aangenomen.

1.2.

Bij herbeoordelingen in 2006 en 2009 is het invaliditeitspercentage van 30% gehandhaafd voor de aandoeningen waarvoor dienstverband is aanvaard.

1.3.

Bij besluit van 13 september 2011 is de mate van invaliditeit andermaal vastgesteld op 30%, waarbij een medische eindtoestand bij appellant is aangenomen. Tevens is hem met ingang van 31 december 2008 een bijzondere invaliditeitsverhoging van 5% toegekend.

1.4.

Bij besluit van 15 oktober 2012 is aan appellant een bijzondere uitkering toegekend, gebaseerd op de Regeling Ereschuld. Daarbij is uitgegaan van een invaliditeitspercentage van 30%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, omdat hij van mening is dat moet worden uitgegaan van een hoger invaliditeitspercentage.

1.5.

De staatssecretaris heeft dit bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om verhoging van het invaliditeitspercentage. Naar aanleiding van dit verzoek heeft appellant een geneeskundig onderzoek ondergaan, waarvan de verzekeringsarts op 11 april 2014 een rapport heeft uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat de aandoeningen waarvoor dienstverband is aanvaard, een PTSS en een depressieve stoornis, leiden tot een mate van invaliditeit van 30%. Vastgesteld is verder dat voor de overige, reeds geconstateerde aandoeningen van appellant geen dienstverband is aangenomen en dat appellant nu ook lijdt aan een aandoening van het hartvaatstelsel, waarvoor dienstverband niet aannemelijk is.

1.6.

Bij besluit van 25 april 2014 is het verzoek van appellant afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt en daarbij een rapport van 9 januari 2015 overgelegd van psychiater

J.M.V. Mulder, die een mate van invaliditeit van 59,6% heeft geadviseerd.

1.7.

Bij besluit van 9 juli 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris, onder herroeping van het besluit van 25 april 2014, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de mate van invaliditeit vastgesteld op 35%, overeenkomstig het advies van verzekeringsarts M. Levy van 24 maart 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ter zitting is namens de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij thans, in afwijking van het bestreden besluit, van mening is dat de mate van invaliditeit moet worden vastgesteld op 38,33%. In afwijking van het bestreden besluit moeten alle psychische klachten, ook die waarvoor geen dienstverband is aanvaard, worden meegenomen. Uit het gewijzigde standpunt van de staatssecretaris volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

3.2.1.

Appellant kan zich niet verenigen met een mate van invaliditeit van 38,33% en heeft betoogd dat een hoger percentage moet worden toegekend. Hij heeft hiertoe onder verwijzing naar het door hem in bezwaar ingebrachte rapport van psychiater Mulder van 9 januari 2015 aangevoerd dat aan zijn beperkingen in een aantal subrubrieken een hogere klasse moet worden toegekend.

3.2.2.

Aan de subrubriek persoonlijke hygiëne, zelfzorg is een klasse 0 toegekend. Gelet op de toelichting van Levy in zijn reactie van 24 maart 2015 dat appellant in staat is tot zelfstandig eten, wassen, gebruik maken van toilet, kleden en toilet maken, ziet de Raad, bezien in het licht van de beschikbare medische informatie, geen grond om te oordelen dat de beperkingen op dit punt zijn onderschat. Wat betreft de subrubriek seksuele functie wordt niet voldaan aan de voorwaarde voor indeling in een hogere klasse dan klasse 0, dat appellant op de peildatum werd behandeld voor seksuele problematiek. Mulder kan daarom niet worden gevolgd in het toekennen van een klasse 4 voor deze subrubriek. Ook wat betreft de overige subrubrieken ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de vastgestelde mate van de beperkingen, gelet op de gegeven toelichtingen en bezien in het licht van de beschikbare medische informatie.

3.3.

Uit 3.1 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Uit 3.2.1 en 3.2.2 volgt dat er geen grond is voor de vaststelling van een hoger invaliditeitspercentage dan 38,33%. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad zal de mate van invaliditeit vaststellen op 38,33%, uit te betalen naar een mate van invaliditeit van 39%.

4. Aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal

€ 2.004,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 juli 2015;
- stelt de mate van invaliditeit vast op 38,33% en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 juli 2015;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;
- bepaalt dat de staatssecretaris het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) F. Dinleyici

HD