Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
16/6370 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde verkopen via marktplaats. Meer dan incidentele verkoop. Inkomsten niet schattenderwijs vast te stellen. Bijstand terecht ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6370 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland

van 5 september 2016, 16/530 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 15 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld en

stukken overgelegd.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het Werkplein Drentsche Aa is de rechtsopvolger van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (ISD AAT). Waar hierna over het dagelijks bestuur wordt gesproken wordt daaronder mede verstaan het dagelijks bestuur van de ISD AAT.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Thiescheffer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Heidergott.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 4 september 2012 samen met haar voormalige partner [naam] ( [X] ) ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) bijstand naar de norm voor gehuwden. Na het verbreken van de relatie met [X] ontving appellante vanaf 9 juli 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante veel goederen zou aanbieden via de website Marktplaats.nl (Marktplaats) heeft een sociaal rechercheur, van de Unit Handhaving van ISD-AAT, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De sociaal rechercheur heeft onder meer dossieronderzoek en onderzoek op internet verricht, gegevens bij Marktplaats opgevraagd, bankafschriften bij appellante opgevraagd en op 12 november 2014 samen met een andere sociaal rechercheur een huisbezoek op het adres van appellante afgelegd en appellante op 12 november 2014 en op 23 april 2015 verhoord. Uit de informatie van Marktplaats blijkt dat appellante in de periode van 4 september 2012 tot 28 april 2015 563 maal goederen heeft aangeboden via advertenties op Marktplaats. Het betrof kleding, schoenen, meubels, sieraden en dergelijke, zowel nieuw als tweedehands. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juli 2015.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 21 juli 2015 de bijstand van appellante over de periode van 4 september 2012 tot 13 februari 2015 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 33.040,98 van appellante terug te vorderen. Het dagelijks bestuur heeft aan dit besluit het volgende ten grondslag gelegd. Gezien het aantal advertenties en de aard van de aangeboden zaken is geen sprake van incidentele verkoop. Appellante had de inkomsten uit verkoop dan ook moeten melden bij het dagelijks bestuur. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat zij van de verkopen en de hieruit genoten inkomsten geen administratie heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand over deze periode niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 24 december 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2015 gegrond verklaard voor zover het de intrekking over de maanden januari, september en december 2013 betreft en de terugvordering nader vastgesteld op een bedrag van € 28.673,51. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante in de maanden januari, september en december 2013 geen advertenties op Marktplaats heeft geplaatst, zodat niet is komen vast te staan dat ze in die maanden de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 september 2012 tot 13 februari 2015, met uitzondering van de maanden januari, september en december 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over

de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellante betwist niet dat zij kleding, schoenen, meubels, sieraden en andere zaken heeft verkocht via Marktplaats. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987) is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van de daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privé-goederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan. Uit de door Markplaats verstrekte overzichten blijkt dat appellante in de periode in geding 563 advertenties met een minimum van zes advertenties per maand op Marktplaats heeft geplaatst, waarbij steeds één of meerdere goederen werden aangeboden. Appellante heeft verklaard dat zij de advertenties zelf samenstelde, dat zij zelf of haar vader de goederen, waaronder ook partijen, inkocht, dat zij die verkocht en dat het plaatsen van de advertenties via haar telefoon of laptop ging. Betalingen werden volgens appellante contant aan haar gedaan of overgemaakt naar de bankrekening van haar vader. Anders dan appellante betoogt, is, gelet op de aard, de omvang en de regelmaat van de verkoopactiviteiten geen sprake geweest van incidentele verkoop van privégoederen die in beginsel niet hoeft te worden gemeld, maar van handel, waarmee appellante inkomsten kon genereren. Er is dus sprake van op geld waardeerbare arbeid. Dat mogelijk deels sprake is van herhaalde advertenties maakt, gelet op het aantal, niet dat het gaat om incidentele in- en verkoop. Die herhaling past meer bij handel dan bij incidentele privéverkoop (zie de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1213). Dat wellicht een deel van de opbrengst van de verkoop niet aan appellante maar aan haar vader ten goede is gekomen, doet er niet aan af dat het verrichten van verkoopactiviteiten van deze omvang en de bestemming van de opbrengst van die activiteiten bij het college had moet worden gemeld. Niet alleen van belang is immers welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten, gelet op de omvang van de verkoopactiviteiten, redelijkerwijs hadden kunnen worden bedongen of ontvangen.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante geen melding heeft gedaan bij het college van haar verkoopactiviteiten op Marktplaats. Door dit na te laten, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Voor appellante had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat haar verkoopactiviteiten op Marktplaats van invloed konden zijn op het recht op bijstand.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene

om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Appellante heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft van de in- en verkoop geen (deugdelijke) administratie of boekhouding bijgehouden. De door appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep overgelegde overzichten kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, reeds omdat deze geen volledig beeld geven van de verkopen en de opbrengsten daarvan in

de te beoordelen periode. Ook uit de door appellante overgelegde afschriften van haar bankrekening blijkt dat niet, omdat, zoals appellante heeft verklaard, klanten contant hebben betaald of de koopprijs hebben overgemaakt op de bankrekening van haar vader. Op de bankafschriften van appellante zijn slechts enkele bijschrijvingen in verband met internetverkopen te zien. Ook uit de door appellante overgelegde verklaringen van familie en kennissen kan geen duidelijkheid of begin van een administratie worden afgeleid, nog daargelaten dat zij achteraf zijn opgesteld en niet uit objectieve bron afkomstig zijn. Er is voorts onvoldoende verifieerbare informatie voorhanden om een betrouwbare reconstructie van de opbrengsten uit de internetverkoop van appellante te maken, zodat het recht op bijstand ook niet schattenderwijs is vast te stellen. Daarbij is mede van belang dat ter zitting is gebleken dat partijen van een bepaalde zaak werden ingekocht en dat de zaken die deel uitmaakten van zo’n partij vervolgens door middel van één advertentie stuksgewijs werden aangeboden op Marktplaats. Gelet daarop is het mogelijk dat op grond van één advertentie meerdere transacties hebben plaatsvonden en is er dus geen relatie te leggen tussen het aantal advertenties en het aantal verkochte zaken. Daarbij is tevens van belang dat, zoals appellante bij de verhoren op 12 november 2014 en 23 april 2015 heeft verklaard, zij ook onder andere namen op Marktplaats heeft geadverteerd en bovendien op een andere website advertenties heeft geplaatst. Ook daarom kan het recht op bijstand niet schattenderwijs worden vastgesteld.

4.7.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Demiroğlu

LO