Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
15/3818 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2665, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen juist of volledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante in de periode tot 14 februari 2011 is niet gebleken. Niet gebleken dat de toename van de psychische problematiek tevens ziet op de hier te beoordelen periode die loopt van februari 2006 tot februari 2011. De onderliggende medische stukken bieden geen aanknopingspunten op grond waarvan een eerdere toename van de psychische beperkingen, wel liggend in deze termijn van vijf jaar, kan worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3818 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 april 2015, 14/5087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2015 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooy-Bal.

De Raad heeft het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft die vragen beantwoord onder toezending van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 september 2017.

Nadat appellante heeft gereageerd op dit rapport heeft het Uwv een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 oktober 2017, verklaringen van GGZ Delfland van 8 september 2017 en 8 juli 2013 en een verklaring van de huisarts van 1 september 2017 ingediend.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.C. Kerkhoven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving sinds 25 augustus 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2005 bepaald dat appellante vanaf 14 februari 2006 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat zij met de bij haar bestaande arbeidsbeperkingen, zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 november 2005, in staat was de maatgevende functie te verrichten. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2.

Appellante heeft bij brief van 15 januari 2011 bij het Uwv melding gedaan van toegenomen psychische klachten en een aanvraag gedaan om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze brief appellante bericht dat het Uwv voor appellante niets kan betekenen en haar geadviseerd contact op te nemen met een maatschappelijk werker. Vervolgens heeft appellante vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontving middels verschillende wijzigingsformulieren doorgegeven dat haar medische situatie per 1 maart 2011 respectievelijk per 23 september 2011 is verslechterd.

1.3.

Naar aanleiding van het verzoek van de gemeente Lansingerland van 18 november 2013 om te beoordelen of appellante in aanmerking komt voor een WAO-uitkering heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd waarbij door de verzekeringsarts is onderzocht of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

1.4.

Bij besluit van 2 januari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante, na een wachttijd van vier weken per 29 maart 2011 respectievelijk per 21 oktober 2011, geen WAO-uitkering wordt toegekend, omdat zij ziek is geworden uit een andere oorzaak dan die waarvoor zij voorheen een WAO-uitkering ontving. Aan dit besluit heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts van 20 december 2013 ten grondslag gelegd.

1.5.

In het kader van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 januari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en appellante op de hoorzitting van 10 april 2014 en het aansluitend spreekuur gezien en aanvullend lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Op basis van de medische informatie van verzekeringsarts

J. van der Stoep, gedateerd op 7 januari 2011 (lees: 2012), en medische informatie van de huisarts en GGZ Delfland waar Van der Stoep naar heeft verwezen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 11 april 2014 vastgesteld dat de beperkingen als gevolg van de psychische klachten van appellante eerst na de periode van belang zijn verergerd. In verband met de toegenomen epileptische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 11 april 2014 extra beperkingen opgenomen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 mei 2014 geconcludeerd dat met deze beperkingen functies voor appellante te selecteren zijn op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 februari 2011 15-25% bedraagt.

1.6.

Bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2014 gegrond verklaard. Het Uwv heeft, onder toepassing van artikel 43a van de WAO, appellante met ingang van 12 februari 2011 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% wegens toegenomen epileptische klachten die voortkomen uit dezelfde oorzaak als die waarvoor appellante reeds eerder een WAO-uitkering ontving.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen medische aanknopingspunten om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van de medische beoordeling per 15 januari 2011. Het Uwv heeft inzichtelijk beargumenteerd dat op basis van de beschikbare medische informatie de psychische klachten van appellante zijn toegenomen na afloop van de verzekerde periode op 14 februari 2011. De daaruit vloeiende beperkingen kunnen daarom geen rol spelen in de onderhavige

WAO-beoordeling. Appellante heeft niet aan de hand van objectieve medische informatie aannemelijk gemaakt dat reeds voor 14 februari 2011 sprake was van toegenomen beperkingen als gevolg van haar psychische klachten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het Uwv heeft de functionele mogelijkheden van appellante niet onjuist vastgesteld en voorts is niet gebleken dat de belasting in de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de psychische klachten zijn aangevangen na afloop van de verzekerde periode op

14 februari 2011. Volgens appellante blijkt uit de verklaringen van psycholoog

drs. Just O’Breen van 17 september 2002 en 17 januari 2003, waar zij tot 14 februari 2011 onder behandeling is geweest, het rapport van verzekeringsarts Van der Stoep en het medicatieoverzicht van 3 augustus 2005 tot 23 januari 2012 dat daarvoor reeds sprake was van toegenomen psychische klachten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO kan, kort gezegd, een betrokkene aanspraak maken op toekenning van een WAO-uitkering met een wachttijd van vier weken, indien hij binnen vijf jaar na intrekking van een WAO-uitkering arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

4.2.

In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de WAO-uitkering per 14 februari 2006 sprake is geweest van toegenomen psychische beperkingen. In het bijzonder moet worden beoordeeld of naar aanleiding van de aanvraag van appellante van 15 januari 2011 extra psychische beperkingen moeten worden aangenomen.

4.3.

Appellante is per einde wachttijd 25 augustus 1996 volledig arbeidsongeschikt bevonden wegens psychische klachten die verband hielden met traumatische jeugdproblematiek en relatieproblemen. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 17 november 2005 vastgesteld dat appellante geen belemmeringen (meer) claimt door psychische aandoeningen. Wel heeft appellante te kennen gegeven klachten te hebben wegens krachtverlies, epileptische insulten, concentratiestoornis en vergeetachtigheid. De verzekeringsarts heeft uit het psychisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor evidente psychopathologie. De beperkingen in verband met de klachten van appellante ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering zijn vastgelegd in de FML van 18 november 2005. Hierin zijn voor wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen opgenomen voor het concentreren van de aandacht, herinneren, werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken, werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist, werk zonder verhoogd persoonlijk risico, spreken, schrijven en werk dat geen leidinggevende aspecten bevat.

4.4.

In het kader van de beoordeling van de WAO-aanvraag van 15 januari 2011 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 11 april 2014, die geldig is vanaf

15 januari 2011, in vergelijking met de FML van 18 november 2005 aanvullende beperkingen aangenomen in verband met de toegenomen epileptische klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter geen aanleiding gezien tot het aannemen van meer psychische beperkingen, omdat deze buiten de verzekerde periode, die loopt tot

14 februari 2011, vallen. Eerst toen appellante zich op 30 mei 2011 tot de huisarts heeft gewend met depressieve klachten, wat heeft geleid tot een spoedintake bij de GGZ Delfland, was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van een toename van psychische klachten.

4.5.

Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen juist of volledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante in de periode tot 14 februari 2011 is niet gebleken. Naar aanleiding van de in hoger beroep verkregen medische informatie van GGZ-Delfland van

8 juli 2013 en 8 september 2017 en de brief van de huisarts van 1 september 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 5 oktober 2017 overtuigend gemotiveerd dat deze informatie niet leidt tot een ander oordeel. Vaststaat dat appellante eind 2010 kampte met forse psychosociale problemen en daarnaast werd geconfronteerd met ingrijpende gebeurtenissen. Echter dat ten tijde van belang sprake was van een psychiatrische stoornis vindt geen bevestiging in de onderliggende medische stukken. Uit de informatie van de huisarts volgt immers dat appellante eerst na melding van een maatschappelijk werker op 30 mei 2011 door de huisarts is doorverwezen naar GGZ Delfland. Niet gebleken is dat deze toename van de psychische problematiek tevens ziet op de hier te beoordelen periode die loopt van februari 2006 tot februari 2011. De onderliggende medische stukken bieden geen aanknopingspunten op grond waarvan een eerdere toename van de psychische beperkingen, wel liggend in deze termijn van vijf jaar, kan worden aangenomen. Hoewel appellante op

21 januari 2011 nog werd gezien door de huisarts vanwege inentingen in verband met een reis naar Cuba en de huisarts op de hoogte was van de situatie van appellante, volgt uit de informatie van de huisarts niet dat een verwijzing naar GGZ Delfland toen reeds aan de orde was. Evenmin is gebleken dat dit aan de orde was op 3 februari 2011 toen de huisarts appellante heeft gezien in verband met een door appellante verzochte verwijzing naar een cardioloog. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd die betrekking heeft op de periode in geding op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.7.

Er wordt daarom geen aanleiding gezien de conclusies van het Uwv ten aanzien van de mate van arbeidsgeschiktheid van appellante in de periode tot 14 februari 2011 voor onjuist te houden. Voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige bestaat geen aanleiding.

4.8.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) S.L. Alves

OS