Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
19-06-2018
Zaaknummer
17/1329 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om herzienings- en terugvorderingsbesluit te herzien. Geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van art. 4:6 Awb aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1329 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 januari 2017, 16/2166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 8 maart 2014 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een begin maart 2014 uitgevoerd heronderzoek is naar voren gekomen dat op de bankrekening van appellant bedragen van derden waren bijgeschreven tot een bedrag van in totaal € 1.160,71. Appellant heeft tijdens dit onderzoek verklaard dat hij dit geld had geleend. In de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 26 augustus 2014, heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 29 augustus 2014 de bijstand van appellant over de periode van 11 juni 2014 tot en met 20 augustus 2014 te herzien en terug te vorderen tot een bedrag van € 1.160,71. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van de ontvangsten op zijn bankrekening en dat appellant niet heeft aangetoond dat het om geleende bedragen ging, zodat de bijgeschreven bedragen als inkomen worden beschouwd. Appellant heeft tegen het besluit van 29 augustus 2014 geen bezwaar gemaakt.

1.3.

In het kader van de beoordeling of aan appellant een boete moest worden opgelegd, heeft een consultent inkomen op 17 november 2014 een gesprek gevoerd met appellant. Appellant heeft daarbij onder meer verklaard dat hij niet wist dat hij moest doorgeven dat hij geld leende. Op de vraag of er omstandigheden waren waardoor hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, heeft appellant geantwoord dat zijn moeder was overleden en dat hij daar druk mee was. Voorts heeft appellant te kennen gegeven dat geen boete moet worden opgelegd, omdat zijn moeder was overleden en hij geld had geleend om een ticket naar Afrika te betalen. De geleende gelden moet appellant weer terugbetalen. Over de geldleningen is niets op schrift gesteld, dit is mondeling gebeurd. In deze verklaring heeft het college aanleiding gezien om af te zien van het opleggen van een boete aan appellant.

1.4.

Bij brief van 18 december 2014 heeft appellant, voor zover van belang, het college verzocht om herziening van het besluit van 29 augustus 2014. Aan dit verzoek heeft appellant het volgende ten grondslag gelegd. In verband met het plotselinge overlijden van zijn moeder is appellant met toestemming van het college overhaast naar Zanzibar vertrokken voor het bijwonen van haar begrafenis. Het was voor appellant zaak om zo snel mogelijk geld te lenen van mensen om de reis te kunnen bekostigen. Dit is hem met stukjes en beetjes gelukt. Appellant heeft bedragen van mensen geleend. Uiteraard moest hij de geleende bedragen terugbetalen. Pas op 17 november 2014 heeft een deugdelijk onderzoek plaatsgevonden en is appellant echt gehoord, wat tot gevolg heeft gehad dat geen boete is opgelegd.

1.5.

Bij besluit van 18 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 april 2016 (bestreden besluit), heeft het college het herzieningsverzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. De stelling dat sprake is van geleende bedragen was al bekend bij het nemen van het besluit van 29 augustus 2014. Het feit dat aan appellant geen boete is opgelegd en dat daarin ligt besloten dat het schenden van de inlichtingenverplichting niet aan appellant wordt verweten, is bij de beoordeling van het feit dat die verplichting is geschonden niet relevant. De vraag of al dan niet een boete wordt opgelegd, is dan ook niet aan te merken als een nieuw gebleken feit dat of veranderde omstandigheid die moet leiden tot herziening. Hetzelfde geldt voor de door appellant overgelegde stukken, waarmee hij stelt aan te tonen dat sprake is geweest van leningen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort weergegeven, aangevoerd dat wat hij aan het herzieningsverzoek ten grondslag heeft gelegd grond oplevert om het besluit van 29 augustus 2014 te herzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 18 december 2014 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn besluit van 29 augustus 2014. Het college heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Wat appellant ter ondersteuning van zijn verzoek van 18 december 2014 heeft aangevoerd zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die moeten leiden tot herziening van het besluit van 29 augustus 2014. De stelling van appellant dat sprake was van geleende bedragen, wat daar - gelet op de vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) dat ook geleende bedragen in beginsel als inkomsten moeten worden beschouwd als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW - verder ook van zij, had appellant al naar voren gebracht tijdens het heronderzoek, waarvan de resultaten tot dat besluit hebben geleid. Het enkele feit dat het college heeft afgezien van het opleggen van een boete, omdat het appellant niet kan worden verweten dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, houdt geen verband met het besluit van 29 augustus 2014. Dit geldt evenzeer voor het op 17 november 2014 met appellant gevoerde boetegesprek en wat de consulent inkomen daar toen met appellant heeft besproken.

4.5.

Het college kon het verzoek van appellant van 18 december 2014 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 29 augustus 2014. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ