Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
19-06-2018
Zaaknummer
16/7904 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft in de periode in afwachting op de beslissing op zijn aanvraag om bijstand € 900,- gestort op zijn eigen rekening. Appellant heeft een lening niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond dat een gift buiten de bijstand moet worden gehouden, omdat dat niet onverantwoord is, slaagt niet. De gift is geen vermogen omdat de herkomst van de storting onduidelijk is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7904 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 november 2016, 16/749 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)

Datum uitspraak: 29 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koudijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.S. Teunissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot 16 juli 2015 bijstand ontvangen van Werk en Inkomen Lekstroom, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). In verband met zijn verhuizing van [plaatsnaam] naar [woonplaats] heeft appellant zich op 20 juli 2015 gemeld voor het aanvragen van bijstand bij het team Sociale Zaken van de gemeente Stichtse Vecht. Op 31 juli 2015 heeft appellant de aanvraag ingediend. In het over deze aanvraag opgemaakte rapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld. Appellant heeft tijdens een gesprek op 20 augustus 2015 kenbaar gemaakt dat hij op 17 augustus 2015 een bedrag van € 900,- op zijn bankrekening heeft gestort. Appellant heeft bankafschriften van deze storting ingeleverd en heeft verklaard dat hij dit bedrag contant van zijn broer had ontvangen voor de betaling van de huur en overige rekeningen.

1.2.

Bij besluit van 26 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 16 juli 2015 bijstand ingevolge de PW toegekend en heeft het college over de maand augustus 2015 een bedrag van € 900,- op de bijstand in mindering gebracht. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat het bedrag van € 900,- als inkomen moet worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak - onder meer de uitspraak van 15 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3188) - heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene aannemelijk te maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij het op 18 augustus 2015 gestorte bedrag van € 900,- heeft ontvangen als lening ten behoeve van zijn levensonderhoud en dat daaraan een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden. Aan de in dit verband door appellant overgelegde verklaring van zijn broer komt niet die betekenis toe die appellant daaraan hecht, omdat uit deze verklaring niet blijkt dat bij de betaling van het bedrag van € 900,- de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat, en op welke termijn, die lening terugbetaald moet worden. Hieruit volgt dat het door appellant ontvangen bedrag van € 900,- moet worden aangemerkt als een middel in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW dat aan appellant in augustus 2015 ter beschikking stond om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. De subsidiaire beroepsgrond dat het door appellant ontvangen bedrag niet als middel mag worden aangemerkt, omdat hier gaat om een gift die uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is, slaagt niet. Mede gelet op de hoogte van de gift en de omstandigheid dat het door appellant ontvangen bedrag was bestemd om te voorzien in de algemene kosten van het bestaan, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet kan worden aangemerkt als een gift die in het kader van de bijstandverlening verantwoord is. De meer subsidiaire stelling dat de gift moet worden aangemerkt als vermogen slaagt ook niet. Appellant heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over de herkomst van de storting. Nu hij het op zijn rekening gestorte bedrag naar eigen zeggen heeft ontvangen voor zijn levensonderhoud, heeft het college kunnen concluderen dat het gaat om middelen die naar hun aard als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de beroepsgronden in zijn beroepschrift.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.

Ter zitting van de Raad heeft appellant gesteld dat in de uitkeringsspecificatie van augustus 2015 is opgenomen dat hij het bedrag van € 900,- als lening heeft ontvangen en dat dit dus ook bewijst dat het om een lening ging. Deze stelling, wat daar verder ook van zij, is te laat aangevoerd en zal daarom en omdat de desbetreffende specificatie zich niet in het dossier bevindt buiten bespreking worden gelaten.

4.3.

Anders dan appellant veronderstelt, wordt hem niet tegengeworpen dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zoals het college ter zitting van de Raad heeft bevestigd.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank over de meer subsidiaire beroepsgrond is in lijn met de uitspraak van 7 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1055).

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ