Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
19-06-2018
Zaaknummer
16/5124 PW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing kostendelersnorm. Beroep op diverse verdragsrechtelijke bepalingen slaagt niet. Ook geen grond voor afstemming op grond van art. 18, eerste lid, PW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5124 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 juli 2016, 16/50 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Maayen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Hij woont samen met zijn moeder, die een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt.

1.2.

Bij besluit van 1 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2015 (bestreden besluit), heeft het bestuur met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot een bedrag van € 687,59 per maand, zijnde 50% van de norm voor gehuwden. Aan de besluitvorming heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellant met zijn moeder dezelfde woning bewoont en niet onder de uitzonderingen valt, zoals omschreven in artikel 22a, derde en vierde lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de zogenoemde kostendelersnorm ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid: ((40% + A × 30%) / A) × B.

4.1.1.

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) ontleent de Raad, zoals eerder overwogen (uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869), dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Daarbij heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn.

4.1.2.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt, zoals de Raad in de onder 4.1.1 vermelde uitspraak van 1 november 2016 eveneens heeft overwogen, de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van zeer bijzondere omstandigheden om de kostendelersnorm buiten toepassing te laten, omdat hij, met zijn beperkingen, mantelzorg verleent aan zijn bejaarde moeder. Deze beroepsgrond slaagt niet, waartoe het volgende wordt overwogen.

4.2.1.

Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3879), biedt - behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel - deze bepaling geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm.

4.2.2.

Zoals de Raad ook al eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3875), heeft de wetgever bewust ervoor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). De wetgever heeft tevens mantelzorgsituaties bewust niet uitgezonderd van de kostendelersnorm. De redenen van de gezamenlijke bewoning staan, aldus de wetgever, los van de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt. Deze voordelen zijn ook aanwezig als een van de kosten delende bewoners mantelzorg verleent aan de ander.

4.3.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de wetgever de kostendelersnorm niet heeft ingevoerd in de AOW. Hierdoor is sprake van een niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling tussen personen die zijn aangewezen op een basisinkomen. Dit is in strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen en te overwegen dan in zijn uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:198. De desbetreffende rechtsoverweging uit die uitspraak luidt als volgt:

“De Raad stelt voorop dat een beroep op een verdragsrechtelijk discriminatieverbod als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. In dit geval kan niet gesproken worden van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, nu sprake is van wetten met verschillende doelstellingen, waardoor ze in die zin verschillen dat de PW een voorziening is en de AOW een volksverzekering. Daarnaast is het in beginsel aan de wetgever om algemene en individuele belangen tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan een regeling in het leven te roepen. In dit verband is van belang dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de PW blijkt dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de kostendelersnorm gelijktijdig in de PW en de AOW zou worden ingevoerd. De kostendelersnorm is evenwel voor de AOW buiten toepassing gelaten. Daarvoor achtte de wetgever redengevend dat een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een voorziening (WWB) en een volksverzekering (AOW) (zie uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3386). Het standpunt van appellant dat de reden voor het afzien van de kostendelersnorm in de AOW is gelegen in de omstandigheid dat AOW-gerechtigden vaak hulpbehoevend zijn en dat appellant dat ook is, maakt het voorgaande, gelet op dit fundamentele onderscheid, niet anders. [...]”

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat dat door de toepassing van de kostendelersnorm een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op privé- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hij stelt in dit verband dat daardoor de sociale verhoudingen binnen het gezin onder druk zijn komen te staan. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat appellante deze stelling niet nader heeft toegelicht en onderbouwd. Bovendien staat vast dat appellant na de toepassing van de kostendelersnorm met ingang van 1 juli 2015 zijn familieleven met zijn moeder in dezelfde woning heeft kunnen voortzetten.

4.5.

Ook het beroep van appellant op het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde recht op ongestoord eigendom treft geen doel.

4.5.1.

Zoals de Raad vaker heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1254) is bij de toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht, maar is deze inmenging bij wet voorzien en ligt daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag. Om de vraag te beantwoorden of sprake is van een, voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist, proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, is een individuele beoordeling noodzakelijk.

4.5.2.

Wat appellant naar voren heeft gebracht over zijn financiële situatie is onvoldoende om te kunnen oordelen dat in zijn geval sprake is van een buitensporig zware last. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de inkomsten van appellant en zijn moeder tezamen uitkomen op een bedrag dat hoger is dan de gehuwdennorm in de zin van de PW, waarbij appellant in ieder geval 50% van de gehuwdennorm ontvangt. Voorts heeft appellant ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door de verlaging van de bijstand in de financiële problemen is geraakt of zal geraken. Het door appellant zelf opgestelde overzicht van alle vaste lasten die hij moet voldoen, met als uitgangspunt dat hij de helft van de vaste lasten moet betalen, is daartoe in ieder geval ontoereikend, reeds omdat enige onderbouwing daarvan, in de vorm van bijvoorbeeld bankgegevens, ontbreekt.

4.6.

Verder heeft appellant aangevoerd dat het college in de bijzondere financiële omstandigheden van zijn geval, gelegen in het feit dat de uitkering ten bedrage van - ten tijde van het instellen van hoger beroep - € 686,31 per maand ontoereikend is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW zijn bijstand met ingang van 1 juli 2015 hoger vast te stellen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het college is op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW gehouden de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Gelet op wat onder 4.5.2 is overwogen, heeft appellant ook niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een zeer bijzondere situatie als hiervoor bedoeld. De enkele stelling van appellant dat zijn moeder hem (mede) moet onderhouden, maakt dit op zichzelf niet anders.

4.7.

Appellant heeft zich ter zitting nog beroepen op indirecte discriminatie van zijn moeder ten opzichte van andere AOW-gerechtigden en aantasting van haar eigendomsrecht, omdat zijn moeder met haar AOW-uitkering de maandelijkse tekorten van appellant moet opvangen. Appellant stelt, onder verwijzing naar de door hem overgelegde gegevens, dat hij maandelijks tekort komt om met zijn verlaagde bijstandsuitkering zelf geheel in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien en dat zijn moeder met haar AOW-uitkering voorziet in aanvulling van dit maandelijks tekort. Wat daar verder van ook van zij, dit moet buiten bespreking blijven, omdat hier de (rechtmatigheid van de verlaging van de) uitkering van appellant in het geding is en niet die van zijn moeder.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ